|
Overdracht
en tegenoverdracht
in mijn supervisies

Van Delft (2005) Overdracht noemen we het (onbewust) overdragen van
oude gevoelens door de cliënt (supervisant) op de hulpverlener
(supervisor) of degene van wie de cliënt (supervisant) in zekere mate
afhankelijk is. Tegen-overdracht noemen we het als de hulpverlener
(supervisor), in zijn functie als autoriteit, eigen oude (kind)gevoelens
overdraagt op de cliënt (supervisant). Veelal is de (tegen)overdracht van
de hulpverlener (supervisor) een reactie op het gedrag van de cliënt
(supervisant). De hulpverlener (supervisor) reageert vanuit eigen oud
(onbewust) gevoel op gedrag van de cliënt (supervisant).(p.13)
|
SF
Eindwerkstuk
Supervisiekunde
Conform registratieregeling (2005) van de LVSB
In het kader van de Voortgezette Opleiding Supervisiekunde
VDO opleidings- en adviescentrum Hogeschool van Arnhem en Nijmegen
SK 18 (2006-2007), november 2007. |
Inhoudsopgave
HOOFDSTUK 1
Inleiding
1.1
Aanleiding tot probleem- en vraagstelling
1.2
Probleemstelling
1.3
Vraagstelling
1.4
Doelstelling
1.5
Opzet van het werkstuk
HOOFDSTUK 2
Oriëntatie op de begrippen overdracht en tegenoverdracht
2.1.Overdracht
en tegenoverdracht, de psychoanalytische benadering
2.2.
Overdracht en tegenoverdracht volgens Boswijk-Hummel
2.2.1.
Positieve
en negatieve overdracht
2.2.2.
De visie
van Van Delft op overdacht en tegenoverdracht
2.3.Korte
samenvatting
HOOFDSTUK 3
Supervisie
3.1.Supervisie,
wat is dat nu eigenlijk, enkele formuleringen
3.1.1.
verheldering: geïntegreerd functioneren en integratief vermogen
3.2.Korte
samenvatting
HOOFDSTUK 4
De Hantering van overdracht en tegenoverdracht in supervisie via de
leerweg
4.1.De
leerweg in supervisie. Een model voor het geven van leerhulp
4.1.1.
De Kenweg
4.1.2.
De Keuzeweg
4.1.3.
De
|Handelingsweg
4.2.Basishouding
en veiligheid binnen supervisie
4.3.Korte
Samenvatting
HOOFDSTUK 5
Onderzoek en Beleid met
betrekking tot supervisie binnen de Reclassering Nederland
5.1
Organisatie Reclassering Nederland
5.2
Supervisiebeleid binnen de Reclassering Nederland
5.2.1
De
legitimatie voor supervisiebeleid binnen de Reclassering Nederland
5.2.2
Competentiemanagement van Reclassering Nederland als basis voor
gedragsvaardigheden
5.3
Reactance:
een vorm van overdracht en een (tegen)overdracht ontlokker
5.4
Korte
samenvatting
HOOFDSTUK
6
6.1
Conclusies
en aanbevelingen
6.2
Slotwoord
No meio do caminho
No meio do caminho tinha uma pedra
tinha uma pedra no meio do caminho
tinha uma pedra
no meio do caminho tinha uma pedra
Nunca me esquecerei desse acontecimento
na vida de minhas retinas tão fatigadas
Nunca me esquecerei que no meio do caminho
tinha uma pedra
tinha uma pedra no meio do caminho
no meio do caminho tinha uma pedra.
Carlos Drummond de Andrade
(1902-1987)
Midden op de weg
Midden
op de weg lag een steen
lag een steen midden op de weg
lag een steen
midden op de weg lag een steen
Nooit zal ik die gebeurtenis vergeten
in het leven van mijn zo vermoeide netvliezen
Nooit zal ik vergeten dat midden op de weg
lag een steen
lag een steen midden op de weg
midden op de weg lag een steen.
---------------------------------------------------------------------------------------------------
Hoofdstuk 1
Inleiding
’t Is al wat jaren geleden dat ik op de VPRO-televisie een
documentaire zag over de Braziliaanse dichter Carlos Drummond de Andrade.
Met name kregen in dit programma zijn erotische gedichten aandacht.
Nieuwsgierig als ik was stuitte ik in mijn ‘verdieping naar den dichter’
op het bovenstaande gedicht, dat ik na tientallen malen gelezen te hebben,
een van de mooiste gedichten ben gaan vinden die ik ooit gelezen heb. Ik
lees overigens bijna nooit gedichten; maar toch, toen ik, zoals ik enkele
andere studenten ook zag doen, de gedachte kreeg dit werkstuk met een
gedicht te starten als metafoor voor het gekozen onderwerp, viel me het
gedicht van Drummond de Andrade weer te binnen. De Andrade beschrijft in
zijn gedicht kennelijk de herinnering aan een vroegere heftige emotionele
gebeurtenis (betekenis). Nooit zal hij die gebeurtenis vergeten die zeer
zeker een enorme indruk op hem gemaakt moet hebben, nooit zal hij dat
vergeten.
Lange tijd heb ik het gedicht gelezen zonder eigenlijk precies te weten
wat mij nu zo fascineerde aan die regels. Waar míjn emoties vandaan kwamen
tijdens het lezen en herlezen, wat dat te betekenen had. Hoe het ook zij,
thans, nog steeds, bij het aandachtig en geconcentreerd lezen van het
gedicht kan ik mijn diepere emoties voelen en de zwaarte van de weg en de
steen werkelijk (her)beleven. Een herbeleving, van wat? Dit klinkt voor
sommige lezers van dit eindwerkstuk wellicht wat dramatisch, maar dat is
het in het geheel niet; ik heb een fijne jeugd gehad. Maar wat ik dan voel
zijn de alledaagse emoties bij die gebeurtenissen uit mijn socialisatie
die kennelijk toch een diepere indruk hebben gemaakt. Die gebeurtenissen
die kenmerkend waren, hebben bijgedragen aan hoe ik geworden ben zoals ik
nu ben. Als persoon, als partner en vader van mijn kinderen, als
familielid. Maar ook als beroepskracht, werkbegeleider, supervisor,
collega. Mijn karakter, mijn patronen.
Waarschijnlijk verklaart het ook voor een deel waarom veel eindwerkstukken
die ik heb gezien met een gedicht beginnen. Het gekozen onderwerp zal vaak
een raakvlak hebben met een emotie, een fascinatie, die bij het gekozen
onderwerp kennelijk wordt opgeroepen. Voor de verhulling van die emoties
zou wel eens de metafoor kunnen dienen, evengoed zou deze er ook toe
kunnen dienen om de opening naar die emotie te bewerkstelligen. Hoe dan
ook, die vroegere emotionele gebeurtenissen zijn, als ik er analytisch
naar kijk bij regelmaat de voeding voor mijn hedendaagse gedragspatronen
en die van anderen en kom ik die veelvuldig tegen in mijn dagelijkse werk.
Als we nu nog eens naar de foto kijken, zien we een grote
steen op een pad door een herfstbos liggen. De plaats van de steen, links
van de weg, geeft voor de wandelaar ruimte, hij kan er gemakkelijk
onnadenkend rechts aan voorbijgaan. Zou deze steen echter midden op het
pad gelegen hebben, dan had de wandelaar een keuze moeten overdenken
tussen links of rechts voorbijgaan; zou het pad smaller geweest zijn, zo
breed als de steen, dan had hij er overheen moeten klauteren om zijn weg
te kunnen vervolgen, dan wel terug te gaan om andere wegen te kiezen die
voor hem meer toegankelijker waren geweest; betere of slechtere paden.
Maar…… “Nooit echter zal hij die gebeurtenissen vergeten in het leven van
zijn vermoeide ogen, nooit zal hij vergeten dat midden op de weg die steen
lag”. En juist in die zinsnede ligt voor mij de uitdaging om op de steen
te gaan rusten en te mijmeren, te reflecteren te overpeinzen en
uiteindelijk te besluiten wat nu het beste is hoe er mee om te gaan.
1.1.
Aanleiding tot probleem- en vraagstelling
In de leersupervisie (Supervisie Over Supervisie, (SOS)) begon ik met het
herkennen en gewaarworden van overdrachtsverschijnselen. In de
confrontatie met autoriteiten herbeleefde ik de confrontatie met mijn
opvoeders. Ik heb deze in de SOS dus heftig mogen ontmoeten en raakte
gefascineerd door het fenomeen, met name door dat ik ook in mijn eigen
supervisiegeven, zowel individueel als in de groepssupervisie deze daarna
begon te herkennen. Dit leidde mij naar het thema van dit werkstuk:
overdracht en tegenoverdracht zoals ik dat ben tegengekomen in mijn
supervisies. Als ik hier ‘mijn supervisies’ schrijf, bedoel ik feitelijk
ook hoe de beide fenomenen zich in de dagelijkse praktijk van mijn
supervisanten zich manifesteerden en in hun werkinbreng meegenomen werd en
door mij vervolgens in de leersupervisie weer zijn vervolg kreeg. Ook neem
ik het thema mee in mijn dagelijkse werk als werkbegeleider bij
Reclassering Nederland, waar overdracht en tegenoverdracht bijna
voortdurend op optreedt.
1.2.
Probleemstelling
In
mijn eigen recente ervaringen als supervisor in opleiding zag ik hoe de
supervisanten ‘worstelden’ op de wegen der hulpverlening. Ik zag hoe ze
geregeld in de ‘(tegen)overdracht konden schieten’ bij de dagelijkse
opgave, hun dagelijkse taak, waarvoor ze zich met hun cliënten gesteld
zagen.
Zo maakten we mee hoe supervisant John zijn zielige ten ondergaan dreigende
cliënten wilde helpen (=redden van de ondergang) en daarbij vooral vergat
te kijken of te voelen hoe hij zelf in die hulpverleningsrelatie stond of
hoe het recht op zelfbeschikking van de cliënt nog in balans was met de
aanpak van de maatschappelijkwerker. Hij had geleerd koste wat kost te
helpen. Als een cliënt zich dan niet aan de gemaakte afspraken hield werd
hij wel eens boos op hem of verwijtend.
Jane daarentegen ondervond veel last van “in het probleem blijven
hangen”. Zij kwam niet in actie met haar cliënten. Ze voelde zich onzeker
worden bij de ontdekking dat als ze methodisch gezien in een bepaalde
situatie meer confronterend of directiever naar haar cliënt zou moeten
zijn, ze de ‘voorgeschreven’ methodiek ontweek en bleef problematiseren en
zoeken naar oorzaken van problemen, zonder uiteindelijk in nieuwe wegen,
acties naar de oplossing van het door de cliënt aangemelde probleem, te
geraken. Onbewust scheen zij zich te verzetten tegen het in actie komen.
Uit mijn jeugd zijn er die emotionele ervaringen met het niet zelf kunnen
bepalen met wat ik wilde, terwijl ik de overtuiging had dat mijn opvoeders
toen niet zo streng moesten zijn. Ze moesten me meer ruimte geven, meer
autonomie. Zo kan een confrontatie met mijn eigen gedrag, nog altijd de
‘trigger’ zijn die de oude emoties oproept. (tegenoverdracht) Ik trek dan
weer ten strijde tegen een gevoel van afwijzing, tegen het negeren van
mijzelf als een zich autonoom ontwikkelende beroepsbeoefenaar met een
eigen visie op allerhande kwesties. Even lijkt het dan alsof ik weer kind
ben.
In termen van tegenoverdracht ontdekte ik, dat passiviteit en
besluiteloosheid van de supervisant mij, op mijn beurt, in de
tegenoverdracht kon doen belanden. Zelf als supervisant, mij in de
leersupervisie bevindend, in casu supervisie over supervisie (sos), kon ik
daarvoor behoed worden. Ik werd mij gewaar van mijn eigen gedrevenheid en
de neiging tot sturen en zelfs pushen.
Bij reclasseringswerkers valt het op dat in hun begeleidende
cliëntrelaties, werkrelaties, er bijna altijd sprake is van bewuste of
onbewuste (tegen)overdracht. Met name verstorende overdrachtgevoelens van
cliënten op de werkers leidt bij regelmaat tot “stroeve” contacten of
ongewilde conflicten met cliënten. “De cliënt heeft veel weerstanden. Zijn
responsiviteit is laag”, wordt dan wel eens gezegd. Maar is dat wel zo? Is
het oppikken van die negatieve emotie die de cliënt kennelijk laat zien of
oproept niet óók een uiting van diens eigen dieperliggende emoties,
verwekt in zijn socialisatie? Dus óók openingen kan bieden om als werker
kennis te gaan maken met die emoties om de juiste aansluiting te vinden
bij de cliënt. Schiet die werker hier niet in de tegenoverdracht?
Belangrijk is dat de Reclassering in hun beleid met betrekking tot
deskundigheidsbevordering oog heeft voor de zwaarte van het werk en
adequate deskundigheidsbevordering hiervoor faciliteert.
Tijdens mijn studie kwam ik tot de ontdekking dat de literatuur, met name
het voor mij zeer toegankelijk beschrevene in het boek: ‘Liefde in
wonderland’, van Boswijk Hummel, handvatten opleverde hoe overdracht en
tegenoverdracht werkt en hoe ik dit in mijn supervisie en in mijn functie
als werkbegeleider kon hanteren.
Ook Van Delft in ‘Overdracht en Tegenoverdracht’, weliswaar ook
grotendeels gestoeld op Boswijk-Hummel, geeft nog eens zeer begrijpelijk
weer, met praktijksituaties, wat er aan de hand is, wat er te doen staat.
(Van Delft, 2006, p.116) Bij overdracht en tegenoverdracht hebben we het
over gevoelens, wensen, verwachtingen en oordelen. We hebben het over
gevoelens waarvan we ons in eerste instantie niet altijd bewust zijn, maar
waarvan wij ons bewust kunnen worden. Voor een beroepsbeoefenaar die werkt
met mensen die van hem afhankelijk zijn, is het erg wenselijk, zoniet
noodzakelijk, deze bewustwording te realiseren.
Dit daagde me uit om anderen te bieden wat ik zelf als zeer helpend heb
ervaren zowel in mijn leersupervisie alsook in mijn eigen supervisiegeven
en in mijn werk als werkbegeleider.
1.3.
De
vraagstelling
Zo kom ik tot de
formulering van een vraagstelling:
- Wat is (tegen)overdracht nu eigenlijk.
- Hoe doet (tegen)overdracht, in de brede betekenis van het woord, zich in
supervisie voor.
- Hoe kan de supervisor de supervisant helpen deze te gebruiken als
effectief
leermateriaal.
Hiervoor het heb ik het volgende onderzocht:
Wat is (tegen)overdracht en hoe ontstaat het?
Hoe doet die zich voor bij de supervisant in de werkpraktijk, en voor
supervisant en supervisor binnen de supervisierelatie?
Hoe kun je in supervisie (tegen)overdracht benutten als leerthema en
leerhulp?
Waar ligt de grens voor het hanteren en bewerken van (tegen)overdracht
binnen de supervisierelatie en wat betekent dit voor zowel de supervisor
als de supervisant?
Welk supervisiebeleid is wenselijk voor supervisanten die in hun werk te
maken hebben met (tegen-)overdracht? Welke verantwoordelijkheid heeft een
organisatie daarin, en welke eisen moet zij stellen aan de supervisie en
supervisoren?
1.4.
De
doelstelling
Belangrijk
vind ik dat supervisoren, en dus zeker ook supervisoren in opleiding, oog
krijgen voor overdrachtsverschijnselen binnen het geven van supervisie en
dat supervisanten op hun beurt geleerd krijgen zicht te krijgen op
hun eigen (tegen)overdracht, zodat er een niveau van gewaarwording van
deze overdrachtverschijnselen bereikt wordt en kan worden ingezet in
supervisie, waardoor professionele werkers beter aansluiting kunnen vinden
bij de emoties van cliënten en dus ook bij hun eigen emoties. Op die
manier kan dan beter hulp verleend worden aan cliënten of beter
‘gereclasseerd’ worden, of zoals Van Praag-Van Asperen en Van Praag (2006
p120) het schrijft:
Belangrijk is te weten dat diverse gevoelens die het signaal geven dat
er iets vreemds gebeurt in de interactie, een betekenis kunnen hebben die
verder gaat dan het constateren van de eigen onkunde.
Dit gegeven impliceert dat er wat te doen staat, dat er wat te leren valt.
1.5.
De opzet
van mijn werkstuk
Om overdracht
te kunnen plaatsen binnen de supervisiecontext zal ik eerst het begrip
(tegen)overdracht beschrijven (Hoofdstuk2).
Vervolgens de definitie supervisie nader uit te werken (Hoofdstuk 3).
Aansluitend geef ik weer hoe (tegen)overdracht te plaatsen binnen
supervisie, de hantering via de leerweg. (Hoofdstuk 4)
Tot slot motiveer ik dat supervisie een essentieel en structureel
onderdeel zou moeten worden van deskundigheidsbevordering binnen de
Reclassering Nederland. (Hoofdstuk 5)
Ik eindig met conclusie en aanbevelingen (Hoofdstuk 6)
De theoretische beschrijvingen zal ik regelmatig illustreren met
praktijkvoorbeelden. Aan illustraties die mijn eigen handelen als
supervisor illustreren zal ik een kritische reflectie op mijn eigen
handelen toevoegen.
HOOFDSTUK 2
Oriëntatie op de begrippen overdracht en tegenoverdracht
In mijn
opleiding destijds voor het beroep van maatschappelijkwerker heb ik
geleerd wat Perlman, H.H. schreef over overdracht en tegenoverdracht. Nu
terugkijkend hierop moet ik vast stellen, dat mijn kennis en dus ook de
herkenning van de verschijnselen in mijn werk als maatschappelijk werker /
reclasseringswerker / werkbegeleider beslist onvoldoende is geweest. Een
deel van deze tekortkoming is mijn eigen verantwoordelijkheid zijn, doch
ik meen te mogen stellen, dat ook de opleidingen voor agogischwerkers
onvoldoende en niet structureel aandacht besteedden of hebben besteed aan
dit thema. Als ik uitvoerendwerkers bevraag over dit onderwerp geeft het
merendeel aan vergeten te zijn wat het precies inhoudt. Anderen die het
wel (her)kennen, zijn zich er nauwelijks van bewust dat het altijd speelt
in de interactie met hun cliënten. Voor supervisors is hier dan zeker een
rol weggelegd.
2.1
Overdacht
en tegenoverdracht de psychoanalytische benadering.
In de oude psychoanalytische literatuur vinden we
beschrijvingen van de begrippen (tegen)overdracht zoals deze:
Overdracht is een door Freud (1856-1939) op grond van zijn ervaringen met
psychoanalytische behandelingen ingevoerde term die duidt op bepaalde
gevoelens en daarmee samenhangende fantasieën, handelingen, wensen,
oordelen en handelingen van een patiënt jegens zijn psychoanalyticus of
psychotherapeut. Het gaat daarbij om gevoelens die terug te voeren zijn
tot vroegere relaties van de patiënt met (een van) zijn ouders en andere
sleutelfiguren in de jeugd en die op de analyticus worden overgedragen en
niet om gevoelens die passen bij of begrepen kunnen worden uit de actuele
analytische situatie. Zo kunnen bijvoorbeeld haat en angst (ook als die
reeds lang verdongen waren) of onderworpenheid met betrekking tot een als
tiranniek beleefde vader ten opzichte van de analyticus opnieuw tot leven
komen.
Overdrachtgevoelens, irrationeel lijkend in de actuele situatie, zijn als
het ware heruitgaven, reproducties van gevoelens, strevingen enz., die
doordat ze opnieuw worden beleefd en als inadequaat in de latere
levenssituaties worden geïnterpreteerd, van groot belang zijn voor het
oplossen van neurotische conflicten en daaruit voortgekomen stoornissen.
Men spreekt van negatieve en positieve overdracht indien de daaruit
resulterende gevoelsinstelling jegens de therapeut hoofdzakelijk negatief,
respectievelijk positief gekleurd is. Houdingen en gevoelens die een
analyticus vanuit zijn vroegere sleutelrelaties kan hebben jegens een
patiënt worden tegenoverdracht genoemd.
Van Delft, (2006) p 13. De begrippen overdracht en
tegenoverdracht hadden betrekking op het overdragen of overbrengen van
oude (kind)gevoelens, door de cliënt op de therapeut (overdracht) of op
tegenoverdracht, het overdragen of overbrengen van vroegere gevoelens van
de therapeut op de cliënt binnen de psychoanalyse, binnen de
therapeutische hulpverlener/cliënt relatie.
Praag, Asperen, van (2006) p.120) parafraseert Greenson (1974) die de
begrippen overdracht en tegenoverdracht treffend beschrijft:
Op een persoon wordt in het hier en nu gereageerd als ware hij iemand
van vroeger. Overdracht is een herhaling, een nieuwe editie van een oude
relatie. ….Overdracht is altijd inadequaat. Het ontkent de realiteit.
Tegenoverdracht betekent het in gedrag en gevoel reageren op de
overdrachtwensen van de ander.
Adank (2002) p6 Aanvankelijk werd overdracht gezien als een storende
invloed op het therapeutisch proces. Verliefdheid op de therapeut of
afhankelijkheid van diens toegenegenheid, zouden slechts kunnen leiden tot
een therapeutische impasse. Pas later werd duidelijk dat overdracht veel
duidelijk kon maken over het oorspronkelijke ´neurotische conflict´, dat
krachtens de herhalingsdrang in een nieuwe versie verschijnt in de
therapeutische relatie.
Een parallelle ontwikkeling vertoont het tegenoverdrachtsconcept. Ook
tegenoverdracht gold aanvankelijk als een storende factor in het
therapieproces. Pas later in de 2e helft van de afgelopen eeuw
ontstond er meer oog voor het interactionele van overdracht en
tegenoverdracht. Een treffende metafoor voor de begrippen is de dans.
De dans waaraan twee individuen noodzakelijkerwijs aan deelnemen. Ten
aanzien van de supervisierelatie geldt dan ook. De twee deelnemers hebben
weliswaar verschillende posities maar ze zijn gelijkwaardig:
Ik zal die dans illustreren aan de hand van mij volgende beschrijving:
|
It takes two to
tango:
Overdracht: Bij supervisant Jane gaat het ontwikkelingsproces
verder. Mijn sturende gedrag heb ik voor een deel weer weten te
onderdrukken. Ze vertelde van haar schaamte over dat ze altijd veel
zaken uitstelde en naar het laatste moment verschoof. Pas als de druk
te groot werd ging ze aan de slag. Het was een voortdurende peilen van
de druk. Ze voelde zich schuldig naar haar collega’s die haar er mee
confronteerden dat ze in de casusbesprekingen haar zaken niet goed had
voorbereid. Zij voelde zich schuldig naar haar baas die haar ruimte
had gegeven supervisie te nemen. Ze was ook kwaad op haarzelf. En…. Ze
voelde een diepere schuld naar haar vader, de vroeger altijd sturende
kracht .Ik had met haar te doen.
Tegenoverdrachtreacties van mij als supervisor: Ik voelde me als
supervisor op de momenten dat supervisante inzichten begon te noemen
waar haar onbehaaglijk gevoel mee te maken had onrustig en ongeduldig
worden; Ik wilde dan eigenlijk mijn analytische eigen kijk geforceerd
overbrengen op Jane. Ik wilde haar een zet geven, helpen, een
opstapje, ‘redden’. Ik dreigde dan uit het oog te verliezen,
dat ik supervisie aan het geven was, dat het hier niet om mijn
belangen ging; ik, die op dat moment dan vol ben van mijn zienswijze
en maar niet begrijp waarom Jane dit nu ook nog niet zo zag;
Ik gaf het haar toch aan, weliswaar nog niet rechtstreeks maar meer op
een soort superviserende wijze, maar een blinde zou ’t zelfs zien,
althans dat denk ik dan! Ik voelde de tegenoverdracht opborrelen. Ik
herkende het.
Op het moment dat ik
ervaar dat ik die neiging heb, zet het mij tevens klem, omdat ik dan
denk dat als dat er nú niet uit komt, het niet voltooid is, niet
begrepen is door Jane. ….maar ik wil toch presteren.
Ik kan me nog
beheersen, dus ik geef nog geen opzetje etc. en dan krijg ik weer dat
beklemmende gevoel over me heen, dat zegt dat het niet gelukt is
Jane te laten zien hoe de vork in de steel zit. Ik voel dan
onvermogen en falen. Jane blijft (voorlopig) met de kwaal zitten.
Ik wil leren
belangeloos aanwezig te zijn als supervisant. Ik wil evenwicht zoeken
in balans komen.
Supervisant
ßBalansà
Supervisor |
2.2
Overdracht
en tegenoverdracht volgens Boswijk-Hummel
Boswijk Hummel (2005) legt de vaak complex, beschreven nog begrijpelijker
uit. Ze vertegenwoordigt een ruimere definitie.
Zij beschrijft, dat als iemand op zoek gaat naar een helper, cursus of een
opleiding, waaronder we dan zeer zeker supervisie rekenen, en dus om hulp
vraagt, hij wordt gedreven door de emoties: pijn, eenzaamheid,
angst en onvervuldheid. Het kan zijn dat een van deze
emoties sterker is dan de andere, of dat enkele van die emoties zelfs
onbewust zijn. Uit die emoties ontstaan behoeftes: Pijn of eenzaamheid
produceren een behoefte aan aandacht, zorg en respect, een behoefte om de
pijn te delen. Vanuit pijn ontstaat ook een behoefte aan inzicht in het
eigen of andermans functioneren. Dat inzicht kan eventueel helpen om de
situatie of de relatie te veranderen.
Uit angst ontstaat een soortgelijke behoefte aan aandacht, opvang en hulp.
Sommige mensen hebben in hun leven met angsten te kampen. Om al dan niet
duidelijke achterhaalbare redenen zijn ze bang. Soms zijn angsten concreet
soms zijn angsten abstracter en vaag. Angst vraagt een behoefte aan
opvang, aan een veilige plek en aan een persoon die helpt de angst te
begrijpen, te overwinnen of zelfs kwijt te raken.
Veel mensen ervaren een mate van onvervuldheid in hun leven. Al zijn alle
levensbehoeften vervuld, dan betekent dat nog niet dat iedereen zich ook
gelukkig voelt. Integendeel schrijft Boswijk-Hummel (2005) Veel mensen
voelen zich onbevredigend en leeg van binnen. Bij hen duiken dan geregeld
zingevingvragen op zoals: Wat is de zin van dit alles? Waar doe ik het
allemaal voor? Waar heb ik dit allemaal aan te danken? Maar ook vragen
over de zin van het bestaan in relatie tot vragen over leven na de dood.
Vroeger gaf de kerk hier nog een duidelijk dogmatisch antwoord op.
Tegenwoordig zijn die antwoorden geen antwoorden op de emotionele vragen.
De kerken lopen leeg, veel mensen zijn opzoek, uit deze onvervuldheid
ontstaat nieuwsgierigheid. Hoe dan ook uit een gevoel van onvervuldheid,
nieuwsgierigheid of angst ontstaat een grote behoefte aan kennis aan leer.
Een heldere, goed te begrijpen en in mijn supervisie te hanteren uitleg,
was de benadering door Boswijk Hummel van overdracht en tegenoverdracht
vanuit het psychologische begrip projectie: Boswijk-Hummel (2005) p
62-92
Een oude situatie wordt op een actuele geprojecteerd ofwel je draagt
beelden en emoties van de ene oude situatie over op de andere: De emoties
van toen verschijnen dus in het nu, wanneer de situatie in het nu op die
van toen lijkt. Opgrond van deze emoties ontstaan projecties. De beamer
(ik) projecteert de onzichtbare gegevens van de ‘harde schijf’ op het
toneel. Het ‘lijken op’, althans de emoties die er mee gepaard gaan,
hebben een grote werkelijkheidswaarde. Cliënt / supervisant / echtgenoot /
echtgenote / autoriteit / supervisor etc., is zich er maar al te vaak niet
van bewust dat deze ‘werkelijkheid’ door zijn eigen emoties wordt
gecreëerd.
Boswijk-Hummel (2005)Tegenoverdracht is de overdracht van de helper. Ook
de helper kan te maken hebben met lastig te verdragen emoties, zoals pijn,
onzekerheid, eenzaamheid en angst. Want een helper kan, net als zijn
cliënt, streng en/of liefdeloos zijn opgevoed. Hij kan zich zo vernederd
en gekwetst hebben gevoeld of het idee hebben dat zijn ouders hem
indertijd niet zagen of in de steek lieten. Wanneer hij zijn pijn daarover
niet (goed) heeft verwerkt, zal in hem op precies dezelfde manier een
‘innerlijk kind’ bestaan dat nog steeds pijn, onzekerheid, eenzaamheid
en/of angst voelt en dat behoefte heeft aan liefde, zorg, aandacht,
waardering en erkenning. Het verschil tussen helper en cliënt is daarbij
niet zo groot, wel het verschil in inzicht wat de helper door studie en
dergelijke heeft opgedaan. Echter: Een helper die in de tegenoverdracht
zit, is afhankelijk van zijn cliënt, namelijk van diens erkenning en
waardering. Boswijk-Hummel beschrijft dat die afhankelijkheid niet
zichtbaar hoeft te zijn en er toe kan leiden dat de helper de cliënt
‘behoorlijk streng en afstandelijk’ behandelt.
Voor alle duidelijkheid haal ik nog eens aan dat als er sprake is van
overdracht of tegenoverdracht er tevens sprake is van een patroon; een
herhaling van dezelfde gedragingen. Het gaat niet om incidentele positieve
of negatieve reacties.
2.2.1
Positieve
en negatieve overdracht:
Boswijk Hummel (2005) p 84 Zowel positieve al negatieve overdracht is
mogelijk. Positieve overdracht is de projectie van een
reddersbeeld; Negatieve overdracht is de projectie van een minder
ideaal of zelfs slecht beeld. Positief is: een redder, bijvoorbeeld een
ideale vader of moeder of een Meester. Negatief is: elk minder sympathieke
verschijningsvorm van ouders of vroegere autoriteiten. Positieve
overdracht ontstaat op grond van prettige emoties zoals: veiligheid, zorg,
aandacht, bewondering of blijdschap. Negatieve overdracht ontstaat op
grond van minder prettige emoties als: afwijzing, vernedering, angst,
eenzaamheid, woede.)
|
John:.….: Ik heb deze
keer de casus van Kees K. ingebracht. Ik ben tijdens de bijeenkomst
tot de ontdekking gekomen dat in alle casussen die ik heb ingebracht
het voornaamste thema loslaten en verantwoordelijkheidsgevoel is. Ik
laat niet snel mensen los. We hebben besproken hoe het kan dat ik
mensen niet snel loslaat. De supervisor heeft me gevraagd om bij
mezelf na te gaan waar dit vandaan komt. Ik persoonlijk dacht dat dit
iets is dat uit mijn jeugd komt. Ik ben opgegroeid als oudste zoon met
alleen een moeder. Mijn moeder is emotioneel behoorlijk onstabiel. Dit
heeft er toe geleid dat ik altijd veel verantwoordelijkheid heb gehad
en ook heb genomen. Ook voor mijn broertje. Ik heb hierdoor de neiging
dingen naar me toe te trekken en vervolgens heb ik veel moeite met ze
weer uit handen te geven, meestal als ik dit deed ging het mis of
kreeg ik verwijten. Dit is kenmerkend voor wat ik ook met cliënten
doe. Het is voor mij belangrijk om hier bewust mee bezig te zijn omdat
ik als professioneel hulpverlener in staat moet zijn te verklaren waar
mijn eigen gedrag vandaan komt. |
Als supervisor analyseer ik het reflectieverslag van John en meen te zien
dat bij John sprake kan zijn van tegenoverdracht. Ik denk hierbij aan
positieve overdracht. In het cliëntcontact doemen onbewust de vroegere
emoties op die hij had ervaren in relatie tot het verzorgen van zijn
moeder, en hoe hij zich verantwoordelijk voelde voor haar. Door dik en dun
steunde hij haar. De behoefte ontstaat om voor zijn cliënten te zorgen,
zoals hij dat deed voor zijn moeder. Hij zoekt onbewust naar erkenning van
zijn werk. Met name worden deze gevoelens manifest als de cliënt een
andere richting op wil. Of is het toch negatieve overdracht, “als ik de
verantwoordelijkheid losliet ging het mis en kreeg ik verwijten”. Zo
schreef hij.
|
John:……Bij deze
supervisie heb ik het gehad over Peter J, een cliënt die ik al heel
lang ken. Peter raakte op het moment nogal gedemotiveerd en het leek
er even op dat we hem kwijt zouden raken. Ik ben toen met Peter en met
zijn vriendin in gesprek gegaan en heb weer veel in orde weten te
maken.
supervisor vroeg aan het
einde van de bijeenkomst aan mij om erover na te denken wat Peter nu
voor mij betekende, de opmerking je mag hem graag is gevallen. Ik vond
dat een beetje een vreemde opmerking omdat ik niet precies wist wat ik
er nu voor waarde aan moet hechten.
Ik vraag me af of
supervisor nu bedoelde dat ik me aan cliënten hecht.
Ik ben dit op mijn
beurt voor mezelf gaan onderzoeken. Ik ben tot de conclusie gekomen
dat ik inderdaad een groot verantwoordelijkheids gevoel heb voor
cliënten en dat ik me dan ook daadwerkelijk schuldig voel als ik vind
dat ik iemand niet naar mijn beste kunnen heb geprobeerd te motiveren
en te activeren. Ik ben wel erg betrokken bij het welzijn van mensen.
Ik vraag me eigenlijk
af wat voor conclusie ik hieraan moet verbinden als professional
zijnde.
Ik weet dus dat ik
erg betrokken ben en soms vraag ik me af of ik vergleken met anderen
niet te betrokken ben. Het is namelijk wel belangrijk om een bepaalde
afstand nabijheid in stand te houden.
Persoonlijk vind ik
dat ik dat ook doe, alleen door de opmerking “je mag die cliënt graag”
ben ik me wel gaan afvragen hoe anderen dat zien. |
Met name door die laatste vraag wordt er mogelijk een nieuw thema of een
variant op het thema aangesneden: Zelfvertrouwen.
|
Jane:…….. Tijdens
de bijeenkomst heb ik mezelf gemakzuchtig genoemd. Als ik er over
nadenk hoe dit zo gekomen is, kom als bijna vanzelfsprekend uit bij
mijn jeugd. Mijn vader thuis was degene die overal verantwoordelijk
voor leek te zijn, terwijl mijn moeder verantwoordelijkheden zoveel
mogelijk leek te ontlopen in de zin dat beslissingen werden
doorgeschoven naar mijn vader.
Als kind en als puber had ik de neiging om alles te ontlopen wat
verplicht was, wat neerkwam op geen huiswerk maken, incidenteel
spijbelen (vooral bij de verplichte muziekles waar ik geen zin had).
Meestal begon het ontlopen van klusjes en taken (in mijn ogen
verantwoordelijkheden) met het vooruitschuiven en van uitstel kwam dan
in sommige gevallen afstel, haastwerk of improvisatie, afhankelijk van
de situatie en de eventuele consequenties.
Mijn winst in het geheel was dat ik niet al teveel na hoefde te denken
en vooruit hoefde te plannen, de eventuele consequenties waren vaak
een soort aanvaardbaar risico en ik heb hierdoor in zekere zin ook
geleerd om snel te kunnen improviseren en fouten te verdoezelen.
Het oneerlijke gedrag (het verdoezelen) heb ik weer afgeleerd door er
achter te komen dat het toegeven van fouten (of gemakzuchtigheid)
weliswaar consequenties heeft maar deze consequenties zijn minder erg
dan bij het verdoezelen. Hierin zit dus een soort berekening maar
uiteindelijk is eerlijkheid door mij tot een norm verheven waar ik
mezelf aan wil houden en anderen op aanspreek.
Waar ik nu nog last van heb, is dat ik slecht kan plannen. Ik gebruik
mijn tijd vaak niet altijd efficiënt en kom hierdoor regelmatig in
tijdnood. De tijdnood dwingt me dan tot improvisatie, snel en
doelmatig handelen wat me dan in de meeste gevallen ook lukt.
De gedachte die bij me invalt; “ik kom steeds met mijn hakken over de
sloot en hieruit destilleer ik dat er geen noodzaak is om verder te
springen”. |
Als ik het gedrag van supervisant vanuit de overdrachttheorie bezie; is
dit gedrag met díe emotie, het gedrag dat zich voordeed toen haar vader
haar vroeger weer eens op haar verantwoordelijkheden wees. Jane
projecteert het negatieve gevoel van toen op de gebeurtenis (=
verantwoordelijkheid nemen) van nu, waardoor logischer wijs het oude
verzet tegen vader weer opdoemt en dus in dit geval het verzet tegen het
aanpakken van zaken en het niet nemen van verantwoordelijkheid is, nu in
déze tijd, in déze interacties. Negatieve tegenoverdracht. Maar we zouden
dit ook kunnen zien als positieve overdracht vanuit het gezichtspunt van
haar moeder. Immers zij ‘leerde’ Jane de verantwoordelijkheid eerst
buiten zichzelf te leggen!
2.2.2
De visie
van Van Delft op overdacht en tegenoverdracht
Van Delft 2006 p 117 beschrijft in de slotwoorden van haar
boek. Overdracht is er, altijd. Overdracht en tegenoverdracht mag er
zijn. Bewust geworden overdracht kan een zinvol veranderingsproces in gang
zetten bij een persoon, cliënt, werker. Bewust geworden tegenoverdracht
kan de professionaliteit van de persoon, hulpverlener, coach, supervisor,
begeleidend of leidinggevende werkgever vergroten. Binnen een afgerond
supervisie traject is sprake is geweest van een bewustwording van
overdrachtgevoelens. De supervisant heeft geleerd door confrontatie van de
supervisor bij zijn eigen kern uit te komen. De eigen ui pellen,
bewustwording, zelfreflectie, communicatie, geeft zelfkennis, lucht op en
maakt de supervisant uiteindelijk tot een gezonder mens en werker.
Zelfkennis maakt de persoon completer en bewuster van het eigen
beroepsmatig handelen.
Van Delft beschrijft hier feitelijk een ideale situatie. Er valt nog veel
te doen.
2.3
Korte
samenvatting:
We hebben gezien dat begrippen overdracht en tegenoverdracht
uit de psychoanalyse komen. De fenomenen zijn ingewikkeld, kunnen
ingewikkeld zijn. Voor de alledaagse begeleiding van cliënten of voor de
beginnend supervisor is het allereerst belangrijk dat die het herkent, het
zich gewaar wordt en het benut en dus functioneel maakt in supervisie of
voor de werker in een begeleidingscontact. Als (tegen)overdracht een
remmende werking heeft op de supervisie of in het begeleidingscontact dan
verdient het ook ‘aangepakt’ te worden’. We gaan dit in een van de
volgende hoofdstukken zien. Allereerst zal ik uitleggen wat supervisie nu
feitelijk behelst.
Hoofdstuk 3
Supervisie.
3.1
Supervisie,
wat is dat nu eigenlijk; enkele formuleringen
- Volgens de Landelijke
vereniging van supervisie en andere begeleidingsvormen.
(www.lvsb.nl)
Supervisie is het
onder begeleiding leren door reflectie op eigen werkervaringen. Degene die
supervisie krijgt, de supervisant, leert het eigen handelen tegen het
licht te houden. Daardoor verwerft hij inzicht in het eigen handelen en
kan dit duurzaam verbeteren.
Supervisie vindt plaats in een serie van minimaal 10 bijeenkomsten van 1
tot 2,5 uur, individueel of in groepen van maximaal 4 supervisanten. De
supervisant bepaalt zelf welke ervaringen en vragen actueel zijn.
Doel: de
supervisant krijgt meer inzicht in zijn handelen en kan dit duurzaam
verbeteren.
Middel: minstens
tien bijeenkomsten van een uur, met tussenpozen van twee á drie weken.
Werkwijze: de
supervisant bepaalt wat hij in de gesprekken aan de orde wil laten komen.
Hij schrijft steeds reflectieverslagen, die hij voor elke bijeenkomst
inlevert. Deze verslagen worden aan het begin van ieder gesprek besproken.
Enkele voorbeelden van onderwerpen die de supervisant kan aandragen zijn:
· het werken met cliënten
· de omgang met collega’s
· de eigen manier van leidinggeven of werken
Vorm: supervisie
kan individueel zijn, of in een groep met maximaal 4 supervisanten.
De supervisor is bij LVSB geregistreerd en voldoet aan de opleidingseisen
en kwaliteitscriteria die LVSB hanteert.
- In de gewone praktijk van supervisiegeven volstaat de volgende uitleg
Van Kessel (1990) Supervisie bestaat uit
een aantal gesprekken, waarbinnen je vertelt hoe je aan het werk bent, wat
je daarin tegenkomt, wat je daarin bezig houdt en waarbij een supervisor
als deskundige je door middel van vragen, reacties en soms ook suggesties,
helpt na te denken over hoe je met de opgaven, waarvoor je in de eigen
beroepssituatie gesteld wordt omgaat en over hoe je je werken kunt
verbeteren.
-In relatie tot het onderwerp van dit werkstuk is een
conceptuelere beschrijving van supervisie nodig:
Van Kessel
(1990):
Doelstelling (=het beoogde resultaat): supervisie is direct gericht
op het zich (meer) eigen maken en (verder) tot ontwikkeling brengen van
integratievermogen en reflectievermogen betreffende de eigen
wijze van beroepsuitoefening. De beide vermogens zijn kerncompetenties
waarover degenen die een professioneel beroep of functie uitoefenen,
waarin zelfhantering in de interactie een belangrijk deel van de functie
uitmaakt, dienen te kunnen beschikken. Kunnen beschikken over deze
kerncompetenties is noodzakelijk om het uiteindelijke doel van supervisie
te kunnen realiseren: Het beroep of functie adequaat en zelfsturend
(=professioneel) kunnen (blijven) uitoefenen en de eigen persoonsverbonden
uitoefening blijvend kunnen bijsturen, verantwoorden en verbeteren.
3.1.1
Verheldering: Geïntegreerd functioneren en integratief vermogen
Centraal in de beroepsdimensie van genoemde doelstelling van supervisie
staat het geïntegreerd functioneren. In de psychologie wordt met dit
begrip verwezen naar een gezond psychisch functioneren dat tendeert naar
eenheid evenwicht en harmonie en een adequaat omgaan met de omstandigheden
waarin men zich bevindt.
Voor een geïntegreerd supervisor, werkbegeleider, reclasseringswerker,
manager,etc. zijn 2 facetten relevant:
Een functioneren vanuit een samenhang van denken, voelen, willen en
handelen, van deze persoon met zijn/haar eigen(aardig)heden, die een
specifiek beroep met daarbij behorende methoden/methodische principes
uitoefent in een bepaalde concrete werksituatie, die zich weer bevindt
binnen- en in een beïnvloedende wisselwerking staat met de bredere
maatschappelijk context.
Geïntegreerd functioneren in de beroepsuitoefening is in alle definities
het sleutelbegrip. De beroepsbeoefenaar kan/mag dit verwerven, leren. Wat
haar directe doel betreft is supervisie gericht op het ontwikkelen van
integratievermogen van de supervisant i.c. de reclasseringswerker. Het
leren beter werken is leren integreren.
De 1e dimensie, de persoonsdimensie: voelen, denken, willen,
handelen: Functioneert de supervisant congruent. Is hij zich bewust van
zijn eigen handelingsmogelijkheden, komt wat hij nastreeft overeen met wat
hij kan; is hij zich bewust van zijn gevoelens en kan hij daar adequaat
mee omgaan. Is hij zich bewust van zijn eigen normen en waarden die zijn
handelingen beïnvloeden. De vorderingen die gemaakt worden op het
integreren van de eerste dimensie dragen in supervisie bij aan het
gerichter nastreven van de integratie op de 2e dimensie.
(beroep-methode-persoon). Uiteindelijk is het noodzakelijk dat de
supervisant voldoende gevorderd is in het kunnen integreren van de eerste
en tweede dimensie. De supervisie dient de supervisant te helpen het eigen
persoonlijke handelen in het kader van beroepsuitoefening te leren
verbinden met de eisen die aan een goede uitoefening van het specifieke
beroep gesteld mogen worden. Vanuit de concrete werksituatie heeft de
supervisant oog voor het werkkader, wat is daarin zijn positie, welke
eisen worden aan hem gesteld en kan hij hier verantwoordelijkheid over
afleggen.
In een Kaleidoscopisch model ziet dat er zo uit.:
|
 |
3.2
Korte samenvatting
Belangrijke
om te weten is dat supervisie een leermethode is, die altijd gaat over hoe
je je persoonlijke eigenschappen: wat je voelt, wat je denkt, wat je wil
en hoe je handelt, leert integreren met elkaar (congruentie) om deze
vervolgens weer te integreren in wat je als beroepspersoon in een concrete
werksituaties te doen hebt (methodisch handelen). Rekening houdend met de
doelstelling van je beroep of instelling waarvoor je werkt, bezien binnen
de brede maatschappelijke context.
Hoofdstuk 4
De Hantering van overdracht en tegenoverdracht in supervisie via de
leerweg
Aandacht besteden aan overdracht- en tegenoverdrachtsreacties kan
aanknopingspunten bieden voor houdings- en gedragsverandering door het
verkrijgen van inzicht en het leren hanteren van gevoelens, waardoor de
integratie op het eerste en vervolgens ook op tweede niveau kan toenemen.
Een onderdeel van de supervisiemethodiek is superviseren via de leerweg.
4.1
De leerweg
in supervisie. Een model voor het geven van leerhulp.
Kessel, L. van (1989), p56-70.
|
 |
We volgen de leerweg in mijn supervisiebijeenkomsten:
Als we in de bijeenkomst overgaan naar de werkinbreng van de
supervisant heb ik de methodiek van de leerweg voor ogen en probeer deze
stap voor stap te volgen. Door op deze manier de supervisie gestalte te
geven leg ik mijzelf structuur op in het superviseren. Het volgen van de
leerweg bevordert bij de supervisant de zelfsturing op supervisorisch
leren. De supervisant wordt zich bewust van zijn eigen zoek- en
handelingsmethodieken, hij leert, doet ontdekkingen over zijn ervaringen,
zijn intuïtie en inzichten en leert deze verder te ontwikkelen op een
supervisorische manier.
Ik zal de leerweg op hoofdzaken samenvatten en citeren en
illustreren met mijn praktijkvoorbeelden:
Van Kessel (1989) De leerweg bestaat uit de drie hoofdsegmenten, in
volgorde van leren: de Kenweg, de Keuzeweg en de
Handelingsweg. In ieder segment vinden in logische volgorde
activiteiten plaats. (zie tekening) Ik zal deze gaan beschrijven. Ook voor
het leren over (tegen)overdracht van de supervisant is de leerweg een
middel om tot gewaarwording ontdekkingen en uiteindelijk tot verstandig
proberen, verstandig handelen te komen.
4.1.1
De Kenweg:
(voelen,
waarnemen, denken)
We zagen hoe de supervisant zijn beroepservaringen
die hij in het werk opdoet in de supervisie inbrengt. Meestal is dit een
ervaring met een cliënt die door de supervisant begeleid wordt. De
supervisant expliciteert de ervaring door deze op schrift te
zetten en deze tijdens de bijeenkomst toe te lichten. De eerdere
beroepservaringen krijgen door het expliciteren meer gestalt en kunnen
meer aanknopingen geven voor de supervisor. Al vertellende
(expliciterende) brengt de supervisant de eerste ordening aan in zijn
beschreven ervaring. De ervaring krijgt meer structuur. Ook wordt meer
zichtbaar waar de supervisant mee worstelt of moeite mee heeft. Waar is
hij zich bewust van, waarvan nog niet. De supervisor begint een leerstijl
bij supervisant te vermoeden. De leerhulp van de supervisor bij het
expliciteren bestaat vooral uit het op de voorgrond laten komen van wat de
supervisant nog op de achtergrond is gelaten.
|
Supervisant John (sv):
…...Ik ben heel duidelijk tegen Jan geweest en heb hem uitgelegd dat
het nooit gaat gebeuren dat hij full- time betaald wordt, omdat hij
dan werknemer van de Stichting zou moeten zijn. Ik heb hem ook
uitgelegd dat hij in de winkel best pauzes kan nemen en dat er
rekening gehouden wordt met zijn beperkingen. Toch blijft Jan met
smoezen komen. Ik snap het niet.
Supervisor (sr): Probeer eens uit te leggen wat je niet snapt.
SV: Nou, gewoon dat Jan niet begrijpt wat goed voor hem is.
SR: Jan begrijpt niet wat goed voor hem is?
SV: Nee, hij gaat
gewoon zijn eigen gang. Hij wil niet.
SR: Dus feitelijk wíl
hij niet?
SV: Ja, hij wil
gewoon niet. Dat is hem veel te veel structuur en dat kan hij niet
aan, dat snap
ik wel. Maar wat dan……..?---- |
Op het moment dat ik als supervisor merk dat de supervisant
de cliënt als een vervelend, weerbarstig persoon dreigt te zien en er
wellicht bij hem (tegen)overdracht lijkt op te doemen, is het belangrijk
dat de supervisor zijn voorbeeldrol blijft vasthouden en met respect over
de cliënt blijft spreken. Hij draagt deze houding over op de supervisant.
Daarnaast gaat hij vragen stellen over wat hij meent te merken of te
voelen in de communicatie tussen supervisant en client of tussen
supervisant en supervisor. (metacommunicatie)
Een hierop logische vervolg is het verder concretiseren door vragen
wat concreet de situatie was, wat was de rol van de werker hierin (wat is
zijn opdracht). Hoe voelde de supervisant zich erbij, wat was zijn
beleving en hoe die van de ander. Wat streefde je in deze situatie na.
Door supervisanten concreet te laten beschrijven in concrete taal, komt de
ervaring dichterbij. Het gevoel dat er bij hoort komt in beeld. Er wordt
ingezoomd op de ervaring.
Door de ervaringen te expliciteren en te concretiseren plaatsen we de
ervaringen buiten onszelf en onszelf buiten de ervaring. We gaan op
afstand de eigen ervaringen waarnemen. We reflecteren over wat we
op afstand zien. De ervaringen worden nog eens overdacht en mogelijk kan
er al betekenis aan gegeven worden en maakt het mogelijk reeds wijzingen
daarin aan te brengen, kenmerkend voor het reflecteren. Door reflectie
wordt de innerlijke dialoog bevorderd. De supervisant wordt zijn eigen
kritische tegenspeler en gesprekspartner. Een vaardigheid wordt ontwikkeld
in het reflecteren over de eigen beroepservaringen met de bedoeling het
beroepshandelen zelfstandig op peil te houden of verder te ontwikkelen.
Reflecteren draagt bij aan het tijdens de uitvoering van het werk bewuster
om te gaan met beroepsopgaven.
Ook Siegers (2002) 159-160 schrijft, dat reflecteren ondermeer het
vermogen is om terug te buigen op een geëxpliciteerde ervaring om er een
nieuwe betekenis aan te geven.
|
Supervisant John ……Hij regelde veel voor de cliënten, stuurde hen aan,
nam van hen over. Zo was hij vaker verontwaardigd als de cliënt niet
had gedaan wat die hem beloofd had te zullen doen. Die beroepshouding,
beroepshandelingen, begon ik in supervisie te herkennen als een
patroon en werd onderwerp in zijn supervisie.
Binnen de supervisie kon John leren hoe hij de gedachten en gevoelens
die bewust of onbewust een rol speelden in zijn hulpverlenen kon
herkennen, interpreteren en integreren in een gezonder functioneren
als maatschappelijk werker. Met andere woorden hij leerde het eerste
herkennen, gewaarworden en later zo’n beetje te begrijpen waar het mee
te maken had. Dit was voor hem een eerste stap naar verandering,
professioneler werken. In ieder geval een stap naar bewustwording van
zijn handelen.
Om verdere reflectie over zijn ‘levensthema te bewerkstelligen gaf
ik hem het volgende verhaal:
‘Een aap en een vis zijn in een stroomversnelling terechtgekomen. Om
zich het vege lijf te redden grijpt de aap een tak en klautert snel in
een boom. Hij ziet dan beneden zich de vis die nog met de stroming
worstelt. Vervuld van een gevoel van medelijden, trekt de aap de vis
op het droge. Tot zijn grote verbazing was de vis hem in het geheel
niet dankbaar voor zijn hulp.’ (Adams 1960)
In een fragment uit zijn reflectieverslag lezen we dan
terug:
John……..Ik heb van de supervisor een gedicht gekregen over een aap,
die een vis uit een kolkende rivier trekt omdat hij hem zo zielig
vindt. Vervolgens is die aap verbaasd dat de vis niet blij is als hij
op het droge ligt.
Dit is wel enigszins
van toepassing op mij. Ik heb de neiging om dingen over te nemen en
vanuit mijn goede bedoelingen sneller te gaan dan dat de cliënt kan.
Ik houd dus niet echt rekening met zijn groeimogelijkheden en tempo.
Terwijl dit wel de bedoeling is.
Soms ben ik zo
gedreven om iemand naar een bepaald doel te krijgen dat het als het
ware mijn doel wordt in plaats van het doel van de cliënt. Dit is niet
goed dus ik moet hier beter op letten.
Ik vraag me wel of
hoe ik dit misschien beter zou kunnen doen, ik ben me namelijk niet
altijd bewust van wat ik doe. Ik begin me nu wel af te vragen wat ik
kan doen aan het te grote verantwoordelijkheidsgevoel. Dit is namelijk
volgens mij iets dat ik al mijn hele leven heb.
Hij was
bezorgd zijn cliënten kwijt te raken. Hij wilde geen fouten maken. In
een volgende werkinbreng werd een casus ingebracht over een cliënt van
wie hij het traject begeleidde. Het ging om een cliënt die een
behoorlijk alcoholprobleem had en regelmatig terugviel. Zijn cliënt
was opgenomen in een verslavingskliniek, doch na een paar weken was
hij daar alweer vertrokken. Vervolgens sprak hij hem weer op de
instelling:
John…….Ik heb met cliënt besproken wat er nodig zou zijn om hem te
ondersteunen bij zijn poging te stoppen met drinken. Hij gaf aan dat
hij graag een andere dagstructuur wilde en dat hij graag iets wilde
doen waarbij hij zich nuttig voelde. Ik heb in overleg met cliënt
contact opgenomen met de bedrijfsleider van een projectwinkel en we
zijn samen in de winkel gaan kijken om cliënt zijn mogelijkheden daar
te onderzoeken. Het gesprek daar was heel positief. Hij en de
bedrijfsleider van de winkel waren heel erg enthousiast en wilde
meteen aan de slag. Jan heeft dus een sollicitatie brief geschreven,
plannen gemaakt enz. Alleen nu het erop aan komt krabbelt Jan langzaam
maar zeker weer terug. Hij komt met allerlei excuses. Van lichamelijke
klachten, tot het helemaal full- time betaald willen worden. Ik ben
heel duidelijk tegen Jan geweest en heb hem uitgelegd dat het nooit
gaat gebeuren dat hij full-time betaald wordt omdat hij dan werknemer
van de Stichting zou moeten zijn. Ik heb hem ook uitgelegd dat hij in
de winkel best pauzes kan nemen en dat er rekening gehouden wordt met
zijn beperkingen. Toch blijft Jan met smoezen komen. Ik snap het niet.
Omdat we het er in de vorige supervisie over gehad hebben dat ik te
veel verantwoordelijkheid neem, en moeite heb met dingen los laten,
vraag ik me af hoe ik hier het beste mee om kan gaan .Ik moest denken
aan het versje van de aap die de vis op het droge trekt, en dan
verbaasd is dat de vis helemaal niet dankbaar is. Ik vind dat deze
situatie daarmee overeenkomt. Ik persoonlijk wil graag dat
cliënt aan de slag gaat omdat ik denk dat het goed voor hem is als hij
iets doet dat zijn zelfvertrouwen opvijzelt. Jan zelf lijkt minder
enthousiast. Ik vraag me af of ik niet te snel ga voor de cliënt, of
dat ik juist toch moet ingrijpen omdat het heel kenmerkend voor cliënt
is om overal onderuit proberen te komen. Dit is namelijk waardoor hij
altijd in de problemen raakt…………… |
Zoals Bennink (1994, 26-27) schrijft, is een mogelijk effect van een
reflectieve vraag, dat de supervisant er door in verwarring gebracht
wordt. Die verwarring kan dan naderhand productieve effecten hebben,
bijvoorbeeld wanneer aard en toedracht van de verwarring zelf worden
onderzocht.
Ik stelde supervisant de ‘Bennink-vraag’:
in hoeverre
werkt je goed bedoeld overnemen van verantwoordelijkheden en sturing het
in de hand dat een cliënt een nog negatiever beeld krijgt van zijn eigen
mogelijkheden.
De supervisanten uit de groepssupervisie hadden het zó nog
nooit bekeken. Ik zag aan hun non verbaal gedrag dat reflectie vanuit die
andere invalshoek plaats vond: ik zag verwarring aan de opgetrokken
wenkbrauwen en reflectie, het productieve effect, aan de glimlachjes en de
knikjes met het hoofd en las dit later terug in hun reflectieverslagen.
Overigens word ik me bij het stellen van zo’n vraag tegelijkertijd gewaar
dat ik deze vraag ook aan mezelf had kunnen stellen, maar dan door de
woorden cliënt te vervangen door de woorden supervisant.
Van Kessel, (1989) vervolgt: Een volgende activiteit in de
leerweg is het problematiseren. Er wordt vragenderwijs gezocht naar
facetten van het ervaringsthema dat centraal komt te staan en naar de
dimensies van de beroepsopgave die voor de supervisant nog niet zo voor de
hand liggen omdat ze in hun eigen bewustzijn nog niet voldoende aanwezig
zijn. De supervisant heeft wellicht oog voor de eigen persoonsdimensies,
maar (nog) niet voor de organisationele of maatschappelijke context. Of
omgekeerd, wel oog heeft voor organisatie en maatschappij, maar
onvoldoende zicht op zichzelf als persoon, bijvoorbeeld op ‘zíjn voelen’.
Problematiseren is een specifiek verdiepende fase van reflecteren.
|
John:…………..Ik op mijn
beurt kom dan ook in de problemen. Ik heb een grote prestatiedrang en
op het moment dat iets stagneert heb ik moeite om daar mee om te gaan.
Ik word dan ongeduldig en aanzienlijk minder begripvol. Irritatie
neemt dan soms de overhand. Ik ben dan op dat moment niet meer in
staat me kwetsbaar op te stellen. En ben meer geneigd de strijd aan te
gaan. Ik vraag me af hoe ik mijn emoties beter in de hand kan houden
en positief kan gebruiken in plaats van negatief.
Supervisant formuleert hierna zijn leervraag nog wat concreter: ‘Ik
wil leren om ondanks mijn emoties positiever te reageren op de cliënt
om het proces te bevorderen’. Als supervisor ga ik weer een stuk terug
op de leerweg en laat hem de situatie nog eens concretiseren en stel
hem dan de volgende vragen op het moment dat hij het gevoel
beschrijft. |
Problematiseren: Bijvoorbeeld:Ik meen in hoe je over je cliënt spreekt wat
irritatie te horen. Wat voor gevoel heb je er nu bij? Kun je het nog eens
nader omschrijven? Kun je het nu ook voelen? Waar zou dit gevoel mee te
maken kunnen hebben? Komt dat vaker voor bij cliënten. (zoeken naar
patronen van (tegen)overdracht.) Supervisant denkt na over zijn
cliëntcontacten en de oorsprong van zijn gedragspatronen. Door met de
supervisant te metacommuniceren komt er zicht op het betrekkingsniveau
tussen cliënt en supervisant (expressieve aspect, het appelerend aspect;
het relationele aspect)
Als supervisor voel ik op zo’n moment ook dat er iets spannends aan zit te
komen in deze komende supervisie momenten. Een spanning die voor mij te
maken heeft met alertheid. Supervisant gaat mogelijk iets persoonlijks
vertellen, dit vraagt van mij respect en oprechtheid. Vermoed ik dat
cliënt met dezelfde spanning zit, zal ik als supervisor dat ook moeten
benoemen. Het doorvragen hierop moet functioneel blijven voor deze
supervisie. Geen quasi therapeutische overstap maken, maar functioneel
begrenzen en dus blijven problematiseren richting de inzichten en
vervolgens wél de overstap maken naar de actiekant. Wat betekent dit, nu
je dit hebt begrepen’, voor jouw werksituatie?
|
Supervisante Jane,……. die er maar niet toe kwam de opdrachten die zij kreeg op te
pakken op het moment waarop dat van haar gevraagd werd. Ze begon te
begrijpen waar dat uitstellen nu vandaan kwam, doordat ik als
supervisor vragen stelde zoals: Waar zou dat nu mee te maken kunnen
hebben, welke gevoel heb je als je……Welke rol speelt je eigen
socialisatie. Supervisante begint te ontdekken dat het wellicht haar
dominante vader is die etc etc. …of haar moeder, die…..
Zonder nu verder in te gaan op de beleving van de supervisante,
schrijf ik verder over mijn eigen tegenoverdracht. Ik noem dit ook
zeer zeker tegenoverdracht om dat het niet zo maar een incidenteel
gevoel is, maar herken mijn emoties als ‘ze komen met bekend voor’. Ze
hebben invloed op mijn handelingswijzen :
….en dan gebeurt er met mij als supervisant iets merkwaardigs. Tijdens
het problematiseren en het langzaam zicht krijgen op de kwestie draagt
supervisant, verbaal maar zeker ook non verbaal zijn hulpeloosheid
over op mij als supervisor. De emoties die ik dan ervaar zijn de
‘trigger’ voor de tegenoverdracht, hem willen helpen, redden, zodat de
rode vlekken in zijn hals en de zweetvlekken die onder zijn oksels
opdoemen maar weer snel verdwijnen. “Mijn God…., wat richt ik hier
toch aan”, denk en voel ik dan op zo’n moment.
Mijn overdrachtreactie is dan, dat ik geleidelijk aan de confrontatie
loslaat en de supervisant de mogelijkheid geef te ontsnappen aan wat
hij nou net wilde gaan begrijpen, gaan leren....Ik weet wel waar mijn
tegenoverdrachtreactie mee te maken had, dat heb ik in de SOS geleerd;
ondervonden. Ook dat het een patroon was. Die supervisor spaarde me
niet, kwam dicht bij mijn gevoel. Ik leerde wat mij als supervisor
feitelijk te doen stond.
Een volgende keer ging het beter. |
Door het volgen van de leerweg blijven we gericht op het functionele van
het professioneel functioneren en wordt voorkomen dat supervisie de grens
met psychotherapie overschrijdt. Met name ligt die valkuil bij het
problematiseren op de loer. In de hulpverlening kom ik nogal eens van die
‘warme’ maatschappelijk werkers tegen die goedbedoeld blijven zoeken naar
de oorzaken van het gedrag van de cliënt, en hierdoor soms diepgraven in
hun socialisatie, zonder dat er ooit probleemoplossende acties van de
grond komen. De hulpverlener gaat na een dergelijk spitten voldaan naar
huis, maar in feite is de cliënt er niets mee opgeschoten. Cliënt zijn
probleem is op deze manier instant gehouden. ….en als dat nou eens
(onbewust) de bedoeling is geweest van de hulpverlener?
|
Als supervisor deed het me toch goed om in de eindevaluatie van Jane
op de vraag, ‘kun je aangeven hoe je er in de praktijk mee om bent
gegaan c.q. van plan bent er mee om te gaan’, het volgende te lezen:
Ik heb meer structuur aangebracht in mijn werk door een duidelijk
overzicht bij te houden van mijn werkzaamheden die nog gedaan moeten
worden en de daar bij behorende termijn.
Ik heb geleerd dat ik
analyses om moet zetten in concrete actiepunten. In de contacten met
de klant heb ik meer rust en overzicht…….
Ik heb veranderingen gemaakt in de manier van plannen………..Mijn eigen
structuur en snellere omschakeling van analyse naar actie vertaalt
zich in het contact naar de cliënt dat dit voor hem zichtbaar is en
dat hiervan een voorbeeldfunctie uitgaat. Doordat ik meer structuur
aanbreng in de contacten is er meer duidelijkheid voor de cliënt, die
hierdoor eerder geneigd is om mee te werken……… |
Wolbink (2005), beschrijft in zijn boek hoe de supervisor en de
supervisant hun gewaarzijn kunnen vergroten en biedt daarom veel voor het
ontwikkelen van het contact maken met het gevoel en dus met
(tegen)overdrachtgevoelens.
In de eerste regels van zijn boek schrijft hij heel treffend: “Als
supervisor maak je van alles mee in je supervisietrajecten. Sommige
supervisanten zitten vooral in hun hoofd, willen alles beredeneren en zijn
niet in contact met hun gevoel. Andere supervisanten zijn zo behulpzaam en
inlevend dat ze continu op de rand van overspannenheid balanceren. Ze
kunnen zich zogoed inleven, volop in contact met de ander, maar niet met
zichzelf! Vooral veel moeten, van jezelf of van de ander, is een
verschijnsel dat steeds de kop opsteekt in supervisies ……..geen contact
meer met je eigen twijfels, onzekerheden en angsten” (p.9)
|
John……Op advies van de
supervisor ben ik eens gaan voelen, wat ik voel. Vanuit mijn buik om
het zomaar te zeggen. Ik vind dat erg lastig omdat ik merk dat ik
direct ergens een gedachte aan koppel. Vooral als wat ik ervaar een
negatieve emotie is. Ik ben dan snel geneigd er een gedachte aan te
koppelen die het vervelende gevoel rationaliseert en in bepaalde mate
weg neemt. Puur in gevoel blijven zitten vind ik best moeilijk. Maar
ik zal wel gaan oefenen. Ik heb tijdens mijn zoektocht naar keuze
modules een module gezien over in contact zijn met je gevoel. Voor mij
bestaat op dit moment de overweging om die te volgen. Ik denk namelijk
dat geheel zelfstandig op zoek gaan voor mij de beste leerervaring
brengt. |
Wat we zien in zijn beleving is dat de weerstand (‘houd het toch zoals het
was! Blijf kind, dat was vertrouwd! ) als rationalisatie in de vorm van
storende gedachten, snel opdoemt. Door de gewaarwording, het bewustmaken,
van die gedachten en het gevoel is er ruimte voor verdere ontdekkingen en
volgen er de eerste acties. Hij wil er verantwoordelijkheid voor gaan
nemen. Als supervisor proef je ook hoe kwetsbaar de supervisant hier
wordt.
Over van projecteren naar jezelf gewaar worden: Wolbink
(2005) p.131, legt uit, dat gewaarzijn is, het je bewust zijn, het
beseffen van wat je voelt, doet, denkt , van waar je behoefte aan hebt en
van wat er in je omgeving gebeurt. Gewaarzijn van jezelf willen zijn,
betekent dat je je daarvan bewust kunt en wilt zijn en dat je daar
verantwoordelijkheid voor neemt. 5 belangrijke vragen zijn van belang:
1) wat ben je aan het doen?
2) wat voel je nu?
3)Wat wil je?
4)Wat verwacht je?
5) Wat ben je aan het
vermijden?
|
In de voor mij
veilige omgeving van de leersupervisie heb ik mij kwetsbaar durven
opstellen, waardoor ik geleerd heb mijn gevoelskant, dat wil zeggen
het durven laten zien ervan, meer heb kunnen ontwikkelen en meer heb
leren respecteren. Dat is ook wat ik wilde. Ook durfde ik dit buiten
de leersupervisie in mijn eigen supervisie en in mijn functie als
werkbegeleider meer van mijzelf te laten zien.(Ik vermeed mijn eigen
ik) Ik merkte dat ik door deze opstelling niet mijn positie als
werkbegeleider of supervisor verloor, waar ik bang voor was,(vandaar
de vermijding) maar deze hierdoor juist verstevigde. Ik heb geleerd
dat congruent zijn, mij juist sterker maakt. Dit had dan zijn weerslag
op het geven van supervisie. Ik merkte dat ik rustiger en minder
gedreven supervisie begon te geven. Ik bracht mezelf niet meer in de
war en kon gerust afwachten op wat er gebeurde; door stiltes te laten
vallen en langer vast te houden, kon ik de supervisant aan het
reflecteren zetten.
Ook belangrijk was het werken aan mijn eigen tegenoverdracht in de
leersupervisie. Het is ook juist door het beter kunnen voelen dwz bij
de emoties durven stilstaan, waardoor de overdracht aan het licht
komt. De oude emoties, mijn projecties, de kwaaltjes en de pijnen, ik
herkende ze steeds beter. Herkenning ervan zette gelijk een rem op me
om niet rationeel en verongelijkt door te schieten, maar eerst maar
eens te kijken (voelen en denken) wat er eigenlijk met me gebeurde.
Waar had die reactie, die emotie nu mee te maken. Minder belangrijk
voor mij is welke opvoeder het nu was geweest, maar meer dat ik
overdracht heb leren herkennen en het functioneel kon maken in bv.
communicatie naar leidinggevenden, supervisanten of uitvoerend werkers
en dat ik zelf verantwoordelijk ben voor hoe ík er mee omga. |
Van Kessel (1989): Vanuit de voorgaande stappen komt er
inzicht en kunnen er verbanden gelegd worden. ‘Wat is het dan, wat heb
je ontdekt, benoem het eens met je eigen woorden’. De eigen woorden ‘maken
de ervaring’. Het benoemen van wat de supervisant heeft ontdekt
geeft er body aan. Het wordt een begrip. De samenhang wordt gezien:
generalisatie. De Kenweg kan op onderdelen die nog onvoldoende
geëxpliciteerd, geconcretiseerd etc. etc. zijn opnieuw doorlopen worden,
herhaald worden. (iteratief).
4.1.2
De Keuzeweg
(willen)
Welke actiewenselijkheden liggen er nu. Wat gaat de
supervisant organiseren, regelen: actiemogelijkheden. De
supervisant gaat een keuze maken.
|
Bij de onderwerpen
overdracht en tegenoverdracht gold voor mij dat herkenning en het
voelen van de (tegen)overdracht al direct tot keuzes en ook tot acties
leidde, immers gewaarwording ervan is een eerste keuze tot actie,
namelijk er de controle over houden of het te laten gaan….. Omdat we
van ingesleten herhalingsgedrag spreken, van patronen, blijft het van
belang steeds, soms in gedachte, te benoemen wat te gaan doen.
Zo weet ik dat als ik een autoriteit ga ontmoeten, en ik van te voren
al de tegenoverdrachtgevoelens voel opborrelen de keuze kan maken die
onder controle te houden en te proberen om vanuit de helikopterview
rustig blijf aanschouwen en vooral metacommunicatief blijf waarnemen
en blijf metacommuniceren. Ik ben dan in actie, de negatieve
tegenoverdrachtgevoelens de baas te blijven. |
4.1.3
De
Handelingsweg
(verbeelden, kunnen, durven)
Voordat tot handelen overgegaan wordt de handeling te worden ontworpen en
voorbereid. We gaan ons een beeld vormen van de uit te voeren handeling.
De handeling komt daardoor mentaal dichterbij, waardoor ook het omzetten
er van in de praktijk vergemakkelijkt wordt. Afwegingen over moeilijkheden
en gevolgen worden mogelijk. Op grond daarvan volgt een besluit op een
bepaalde manier tot handelen over te gaan.
|
Jane…..Ik had
mezelf voorgenomen om meer gestructureerd en planmatig te werken. Ik
heb vorm geven door eerst zowel met collega’s, werkbegeleiders en
unitmanager te overleggen.
Ik vond en vind dat
de structuur zowel bij mezelf als in de randvoorwaardelijke sfeer
geregeld moest worden en dus heb ik met de werkbegeleiders het
voorstel besproken om ……..
Een aantal collega’s
deden dit wel, anderen planden reeds van tevoren waardoor er bij
sommigen (en dus ook mij) ……. ontstond. De werkbegeleiders
ondersteunden mijn voorstel en vervolgens heb ik aan de unitmanager
gevraagd of hier bindende afspraken over gemaakt konden worden,
hetgeen ook is gehonoreerd.
Hiernaast heb ik voor
mezelf een lijst gemaakt van alle …zodat …bij kan houden.
Het gevolg van het
bovenstaande is dat voor een groot deel af ben van het voor mij
verlammende gevoel dat ik steeds in de knoei kom met mijn planning en
dat ik hiervoor zelf verantwoordelijk ben. Door anderen te betrekken
in het structureren heb de verantwoordelijkheid ook deels bij hen
gelegd. Voor mij schiep dit de “ruimte” en om ook zelf kritisch naar
mijn eigen planning te kijken (door ook daadwerkelijk een lijst te
maken).
Verder heb ik een
idee overgenomen van een collega die ………………Vooral uit het bespreken
met anderen heb ik een en ander kunnen leren, n.l.:
Collega’s zitten vaak
met de zelfde problemen als ik.
Collega’s hebben vaak
ook deels al oplossingen voor zichzelf verzonnen.
Het delen van
problematiek vermindert de last.
De oplossing van het
probleem kan ik ook buiten de gebaande paden zoeken (zoals mijn
collega heeft gedaan met zijn …..vorm). |
Het wordt duidelijk dat in deze fase van het leerproces in supervisie, van
ervaringsleren omslaat naar handelingsleren: de supervisant wordt nu in
plaats van toeschouwer regisseur van de eigen deelnemersrol en er is
sprake van ‘plannend spreken’
Het proces van integratie vraagt meer tijd en ruimte voor het onderzoekend
vinden van de eigen wegen mogelijkheden. Het handelingsperspectief en de
systematische aanpak komen dichterbij. Twee voorbeelden van hoe dit vorm
kan worden gegeven:
-
de
supervisor vraagt de supervisant zich als visualisatie voor te stellen dat
hij weer wordt geconfronteerd met het leerthema dat zich in deze
supervisie uitkristalliseerde.
Hoe ga je het dan doen? Wat zijn dan je aandachtspunten? Is dat wat je
wilt? Wat ga je doen om dat te voorkomen.
-
Een andere
manier is dat de supervisor het de supervisant laat uitspelen. Hoe voelt
dat/wat doe je? Doe het nog eens een keer.
In de praktijk aan de slag gegaan, komt de supervisant
wellicht weer terug met nieuwe ervaringen. De cyclus begint opnieuw. De
vragen die hier bij horen: Wat had je je voorgenomen? Wat heb je gedaan?
Hoe is het bevallen? Welke ervaring leverde het je op. Hoe wil of moet je
daarmee verder? (Van Kessel 1989)
4.2
Basishouding en veiligheid binnen supervisie
Van Delft, F.
(2006) p 91-92. schrijft hierover, dat als Iemand die kiest voor
begeleidend werk over kwaliteiten dient te beschikken die nodig zijn voor
het tot stand brengen van een werkbare relatie met cliënten en
medewerkers. Dit geldt ook voor een supervisor. De eigenschappen,
opvattingen, normen en waarden vormen de basishouding. Vanuit dit
referentiekader werkt de beroepspersoon. Hij toetst zijn handelen hieraan.
In de loopt der jaren heeft dit referentiekader zich vanuit de
socialisatie zich gevormd. De socialisatie, de vorming is dynamisch en
wordt dus steeds bijgesteld. Vanuit dit basismateriaal ontwikkelt de
werker, supervisor, zijn vaardigheden en schaaft hij deze bij waar nodig.
Een competent werker/supervisor beschikt over kwaliteiten zoals respect,
acceptatie, empathie, positieve openheid, Tevens beschikt hij over de
vaardigheid confronteren en feedback geven. Daarnaast is relativeren en
humor en nieuwsgierigheid (leergierigheid). De supervisor / werker is
oprecht geïnteresseerd in de persoon voor wie en met wie hij werkt.
veiligheid……….
Jagt en andere (2006) p23, beschrijven het als volgt: Ik vind het juist
dat supervisanten nadenken over de oorsprong van gedragspatronen (vooral
de niet nuttige – irrationele) die zij in supervisie onder ogen gaan zien,
zodat ze waar mogelijk kunnen afrekenen met wat zich tegen hen keert en
wat zijn niet verkiezen. Maar als daarmee de behoefte ontstaat om
uitputtend in te gaan op zaken uit het verleden, overschrijdt dat grenzen
van supervisie. Ik weet dat ik die grenzen in een vroeg stadium moet
aangeven, al zet ik dat weten nog niet altijd om in handelen. Veel wat ik
bij supervisanten zie is mij niet vreemd.
Doordat Jane door de supervisor werd geconfronteerd met haar zich
herhalende gedrag, (de patronen) binnen de veiligheid die zij voelde in de
supervisie, kon ze zicht krijgen op de betekenis van haar
(tegen)overdracht patronen en ontstond er ruimte voor te leren. De
oorspronkelijke afweer en het (on)bewust ‘koesteren’ van patronen konden
doorbroken worden.
|
Jane in de
schriftelijke eindevaluatie:……… SR: Wat wil je kwijt over het
werkproces? Leerbelemmerende / leerbevorderende factoren / werkstijl
van de supervisor?
SV: Wat door mij vooral als leerbevorderend werd ervaren, is dat ik in
een veilige setting op een open manier mijn functioneren ter discussie
kon stellen. Er werd door de supervisor wel kritisch maar niet
veroordelend gereageerd op het door mij ingebrachte materiaal….. |
Cliënt wordt natuurlijk deze vraag gesteld, maar door zelf het zo te
benoemen, lijkt het alsof de supervisant andere, negatieve, ervaringen
heeft gekend in relationele situaties. Zo ontdek ik, als supervisor, dat
het aangaan van een werkrelatie met een supervisant nooit van
toevalligheden of louter intuïties moet uitgaan. De supervisor is zich
voortdurend bewust van zijn methodisch handelen. Bij overdracht gaat het
altijd om gevoelens en emoties van de ander (de supervisant), die je
feitelijk nauwelijks kent en waarmee je enkel een functionele relatie mee
hebt. Supervisant stelt zich kwetsbaar op, is kwetsbaar. Dit vraagt
zorgvuldigheid van de supervisor, zorgvuldigheid waarin respect voor die
ander het allesomvattende uitgangspunt is. Wat opvallend was is dat in de
groepssupervisie bij de adolescenten ik als supervisor moeilijker
‘toegang’ kreeg tot de diepere emoties of hun socialisatieachtergrond.
Hier zal ik als supervisor dan, zoals gezegd, rekening mee moeten houden
en de patronen die ik zie in supervisie tot onderwerp te maken, zónder
direct ‘dieper’ te problematiseren, te graven. Respect hiervoor staat dan
hoog in het vaandel.
4.3
Korte
samenvatting
De leerweg is
voor mij hét instrument geweest om (tegen)overdrachtsverschijnselen op een
methodische manier functioneel te maken in de supervisies. Het gaf zowel
mij als beginnend supervisor als ook mijn supervisant structuur. Vanuit
deze werkwijze konden we met respect voor elkaar afdalen naar verborgen
emoties die middels het problematiseren uit hun schaduw gehaald konden
worden. De supervisanten hebben geleerd. Veiligheid, respect en begrenzing
zijn sleutelwoorden voor supervisie en dus zeker bij het problematiseren
van het thema.
Hoofdstuk 5
Onderzoek en Beleid met betrekking tot supervisie binnen de Reclassering
Nederland.
In dit hoofdstuk wil ik de noodzaak aantonen voor het implementeren van
supervisie binnen de Reclassering Nederland. Ik wil er mee bevorderen dat
ook daadwerkelijk beleid wordt gemaakt ten aanzien van supervisie binnen
onze organisatie. Hiervoor beschrijf ik de structuur van onze organisatie,
het doel en de kernwaarden van de Reclassering en mijn vaststelling en
pleidooi voor inbedding van supervisie als deskundigheidsbevordering in
onze organisatie. Als leidraad gebruik ik hiervoor de
reclasseringsmethodiek.
5.1
Organisatie
Reclassering Nederland
De
Reclassering Nederland Opgericht onder de naam Nederlandsch Genootschap
voor Zedelijke Verbetering der Gevangenen in 1823. In de decennia daarna
heeft de organisatie zich ontwikkeld van een genootschap bestaande uit
vrijwilligers tot een professioneel georganiseerde zelfstandige Stichting
Reclassering Nederland (SRN), die bijna volledig gesubsidieerd wordt door
het ministerie van financiën. Naast de Stichting Reclassering Nederland
bestaan nog 2 andere reclasseringsorganisaties, te weten de Stichting
verslavingsreclassering en de Reclassering van het Leger des Heils.
De SRN heeft haar hoofdbureau gevestigd in Utrecht. Daar zetelt het
bestuur (Algemeen directeur en de stafafdelingen) De SRN is verdeeld in 10
regio’s. (regiomanager en beleidsmedewerkers) In iedere regio zijn de
werkunits gevestigd, in totaal 36 en tevens 12 werkstrafunits, met aan het
hoofd een unitmanager. In iedere unit zijn werkbegeleiders ter
ondersteuning van de unitmanager en voor de begeleiding en controle van
het inhoudelijke werk van reclasseringswerkers. Ik ben werkzaam bij de
SRN, als werkbegeleider.
Het toezichthoudende orgaan voor de stichting is een Raad van Toezicht.
In januari 2007 vond in de uitvoering van het werk een taakscheiding
plaats tussen enerzijds een diagnostische en adviserende taak en
anderzijds een toezichthoudende- en interventietaak.
De hoofdtaken van een reclasseringswerker bestaan uit diagnostiek met
betrekking tot recidiverisico-inschatting. Het maken van
voorlichtingsrapportages (adviserend) aan Openbaar Ministerie en
Rechtelijke macht en aan de Dienst Justitiële Inrichtingen
(Gevangeniswezen). Reclasseringswerkers houden toezicht op veroordeelden
in opdracht van de rechtbanken, waaronder Terbeschikkinggestelden en op de
reïntegratie van gedetineerden gedurende de laatste periode van hun
detentie. Daarnaast zien reclasseringswerkers toe op de uitvoering van
door de rechtbank opgelegde werkstraffen en organiseren en geven werkers
leerstraffen en reïntegratietrainingen (cognitieve gedragstrainingen) aan
justitiabelen.
Het doel van de reclassering Nederland (Mission statement):
Minder overlast, minder
criminaliteit; dat is waar Reclassering Nederland zich sterk voor maakt.
Door efficiënt toezicht, resultaatgerichte werkstraffen, doelgerichte
begeleidingsprogramma's en andere noodzakelijke maatregelen verkleinen we
de kans dat delictplegers opnieuw de fout ingaan. We doen dat in de
overtuiging dat straffen alleen niet helpt. Reclassering Nederland is
daarom een unieke schakel in de strafrechtketen en een onmisbare
aanvulling op het werk van rechterlijke macht, politie en gevangeniswezen.
We kiezen voor een integere en open werkwijze waarin we actief laten zien
wat ons werk voor resultaten oplevert. Daarbij gebruiken we instrumenten
die wetenschappelijk verantwoord zijn en aantoonbaar effectief. Wij vinden
in beginsel dat iedere delictpleger verantwoordelijk is voor zijn eigen
daden en dat dat gedrag beïnvloedbaar is. Onze consequente aanpak van
daders levert een veiligere maatschappij op en dat kan op brede waardering
rekenen in de Nederlandse samenleving.
Als kernwaarden van de organisatie staan benoemd:
·
Betrokken
bij de samenleving en bij de individuen met wie de
organisatie in contact komt.
·
Betrouwbaar
Integriteit in woord en daad.
·
Open
in de wijze
waarop zij in- en extern met mensen omgaat.
·
Deskundig/professioneel
in haar wijze van
werken.
·
Consequent en duidelijk
in wat
ketenpartners, maatschappij en individuele daders van ons mogen
verwachten.
5.2
Supervisiebeleid binnen Reclassering Nederland
in mijn onderzoek naar beschreven beleid over supervisie binnen de
Reclassering Nederland, heb ik vast gesteld dat er thans nog geen
specifiek landelijk of regionaal beleid is beschreven gericht op
supervisie.
In het Jaar Productie Plan 2007 van de Reclassering Nederland, regio
Limburg, waar ik werkzaam ben, krijgt supervisie en coaching als vast
onderdeel van een loopbaanpad wel (financiële) aandacht. Een werker zou
éénmaal aan het begin van zijn carrière en éénmaal rond het 45e levensjaar
een supervisie of coachingstraject kunnen volgen.
5.2.1
De
legitimatie voor supervisiebeleid binnen de Reclassering Nederland
In het methodiekboek voor de reclassering: “Het delict als maatstaf”,
‘werken in gedwongen kader’ van Menger en Krechtig (2004) vinden we, als
we de supervisiedefinities uit hoofdstuk 3 er nog eens naast leggen, een
richtinggevend advies tot inbedding van supervisie binnen de
reclasseringsorganisatie. Menger en Krechtig (2004) p 237 e.v.
In dit hoofdstuk ligt de nadruk op de meer persoonlijke elementen die
een rol spelen in het reclasseringswerk. Het gaat over kwaliteiten en
valkuilen, over motivatie van de reclasseringswerker, over hoe moeilijk
het is afstand te nemen van je eigen cultuur en over hoe de
reclasseringswerkers zich staande houden in de organisatie. Zelfreflectie
is een onontbeerlijk bestanddeel van het reclasseringswerk. Het is
noodzakelijk dat de organisatie, op alle niveaus, hiertoe de voorwaarden
schept.
De huidige inrichting van supervisie vraagt dus om het uitwerken van
specifiek beleid hieromtrent. Een grond hiervoor en ook de uiteindelijke
aanbeveling hiervoor, vinden we, zoals hierboven gezegd, feitelijk
duidelijk beschreven in het methodiekboek. Menger en Krechtig (2004),
beschrijven de kaders en de fundamenten van het reclasseringswerk alsmede
de handelingsstrategieën binnen deze werkvorm. In de 17 hoofdstukken
klinkt voordurend de complexiteit van dit werk. i.c. de “zwaarte” door,
die er ook door de samenleving aan wordt gegeven.
Menger en Krechtig (2004) p 237: Van reclasseringswerkers wordt
“verwacht” dat zij zich voortdurend inspannen om zich te verbinden aan de
perspectieven van burgers, die soms door grote delen van de samenleving
niet meer worden geaccepteerd. En gelijktijdig moeten ze in staat zijn om
de nodige afstand te houden, zodat ze de situatie kunnen bekijken vanuit
perspectief van diezelfde samenleving.
De auteurs beschrijven een profiel van de reclasseringscliënten, dat
er op neer komt dat geen cliënt ooit hetzelfde is. Cliënten vaak
onvoorspelbaar zijn, in het bijzonder de reclasseringscliënten, die juist
vanwege grensoverschrijdend en onvoorspelbaar gedrag in de problemen zijn
geraakt. Mijn ervaring met reclasseringscliënten, justitiabelen, is dat
bij het merendeel van deze mensen in hun socialisatie sprake is van
behoorlijke scheefgroei in hun ontwikkeling. Een ontwikkeling, gekenmerkt
door mishandeling, misbruik, grenzeloosheid, pedagogische en of affectieve
verwaarlozing.
Of zoals Boswijk Hummel (2005) het eerder benoemde: pijn,
eenzaamheid, angst en onvervuldheid.
Menger en Krechtig (2004) p.237: Ze hebben overlevingsstrategieën
aangeleerd in hun leven die voor anderen die dit niet hebben geleerd niet
altijd even makkelijk te begrijpen en te pareren zijn.
Reclasseringscliënten kunnen vaak meesterlijk iemand op het verkeerde been
zetten, weten soms goed te bespelen, zijn soms hulpeloos of
gedesoriënteerd, soms zwakbegaafd en soms heel geslepen. Soms spreken ze
heel gebrekkig Nederlands. Vaak hebben ze al heel wat professionele
bemoeienis gehad, en lang niet altijd met een positieve afloop. Soms
spreken ze de reclasseringstaal goed waarmee ze de schijn kunnen wekken
dat ze uitstekend meewerken.. Door de juiste combinatie van afstand en
nabijheid, door de eigen manier van communiceren, door soms aanwijsbaar en
soms haast ondefinieerbaar fingerspitzengefühl, door de persoon die je
bent kan de werker de moeilijke taak waarvoor hij zich gesteld ziet voor
elkaar krijgen. Toegerust met middelen en methoden, maar toch. Krijg je
wel of niet contact? Krijg je wel of niet een proces opgang bij deze
cliënt? Lukt het je wel of niet om controle en begeleiding te combineren
tot een aanpak die helder is voor jezelf en voor je cliënt? Je moet steeds
nadenken, niet alleen over de cliënten en de interventies, maar ook over
de reacties en vanzelfsprekendheden van jezelf. Over je culturele
vanzelfsprekendheden, je impliciete normen. Over je eigen afwijzing of
zelfs afkeer van een cliënt. Natuurlijk weet je: “het gedrag afwijzen maar
de cliënt respecteren” maar toch…Over de vraag waarom je energie op raakt
bij een bepaalde cliënt. En hoe je reageert op de organisatie.
Herkenbaar lijkt mij, is dat een reclasseringswerker meer dan
gemiddeld ‘vatbaar’ is voor (tegen)overdracht. Overdrachtproblemen kunnen
het werk bemoeilijken. Zowel negatieve- als positieve (tegen)overdracht.
5.2.2
Competentiemanagement van Reclassering Nederland als basis voor
gedragsvaardigheden
Menger en
Krechtig (2004) merken ook nog eens op: Het reclasseringswerk vraagt
veel van degene die het doen. Of een methodiek nu helder is of niet,
uiteindelijk is het de reclasseringswerker die als professional
maar ook als persoon het werk moet uitvoeren. Het is belangrijk dat
de reclasseringsweker daardoor deskundig is. Dat wil zeggen dat hij
de bij het beroep behorende vaardigheden en kennis heeft ontwikkeld en een
passende beroepshouding heeft.
De reclassering is de laatste jaren sterk in verandering. Van een
organisatie die vooral gericht was op een agogische aanpak van het
voorkomen van recidive is er een onstuitbare ontwikkeling gaande die het
zogenaamde risicomanagement (het beheersen van gevaarsrisico’s en
criminogene factoren) veel scherper als ‘dagelijks werk’ naast het
agogisch werk naar voren schuift. (sterk beïnvloed door de politiek en de
actualiteit). Dit vraagt specifiekere handelingscompetenties van de
werkers en het management. Competenties voor met name de werkers kunnen
dan ook zeer zeker verkregen worden door supervisie:
Van Kessel (1990) merkt hierover op: Supervisie is een methode van
deskundigheidsbevordering als ze gericht is op verdere beroepsontwikkeling
van de werker, bijvoorbeeld als er een nieuw appel op
integratievermogen van de werker wordt gedaan door verandering van
werkopgaven, veranderende methodische inzichten, of als er na een aantal
jaren werken, sprake is van een sterk uitgesleten zijn van het
integratievermogen waarover de werker beschikt. (wenselijkheid van
‘refreshing’)
5.2.3
Reactance:
een vorm van overdracht en tegenoverdracht ontlokker
Reclasseringscliënten vertonen veelvuldig reacties als het
gevolg op bij voorbeeld confrontaties met vrijheidsbeneming door
arrestatie of door opgelegde rechterlijke maatregelen of andere justitiële
kaders.
Reacties van cliënten op deze onvrijwilligheid wordt in het
reclasseringsjargon ‘reactance’ genoemd, een term van R.H. Rooney in zijn
Strategies for work with involuntary cliënts (Colombia University Press
1992).
Deze reacties spelen in het een reclasseringcontact gedurende het hele
traject een centrale rol. Het zijn feitelijk natuurlijke reacties die de
functie hebben om de ingeperkte vrijheid terug te winnen of toch op de een
of andere manier meer controle er over te krijgen. Een misvatting,
kennelijk opgeroepen door het gedrag van die cliënt bij
reclasseringswerkers is wel eens, dat reactance wordt gezien als
weerstand, niet willen meewerken, verzet tegen gedragsverandering. Menger
en Krechtig (2004) p.154 hierover Reactance kent vele
verschijningsvormen, zoals :
-rechtstreeks de verloren vrijheid weer terug te krijgen
-dit indirect te proberen door sabotage
-agressie tegen de bron van dreiging
-strategische zelfpresentatie (jezelf beter, dreigender, zieliger voordoen
om de ander te beïnvloeden.
-ontkennen of
gedeeltelijk ontkennen van het delict.
De competentie “sensitiviteit”
staat benoemd als één van de 7 kerncompetenties van een
reclasseringswerker. Hieronder een prachtig voorbeeld van die competentie.
De reclasseringswerker laat zich niet verleiden tot tegenoverdracht, maar
herkent de reacties en
emoties van de arrestant in eerste ontmoetingen als reactance en pleegt
een interventie die inwerkt op de beleving van de onvrijwilligheid van
reclasseringscliënt.
De arrestantenbewaarder van het cellenblok op een politiebureau
waarschuwde de reclasseringswerker vóór het vroeghulpbezoek
voor de driftbuien van de arrestant die hij wenste te bezoeken. Toen
de arrestant al vloekend en tierend op verzoek van die werker toch
richting spreekkamer werd gedirigeerd, sprak de ervaren
reclasseringswerker de woorden naar hem uit: “Je moet wel alle reden
hebben, om zó kwaad te zijn”, waarop de man, zich kennelijk gehoord
voelend door die paar woorden, terplekke bedaarde en uitgebreid zijn
beklag over wat hem allemaal wel niet aan onrecht was overkomen kon
uitstorten over deze hulpverlener. Deze hulpverlener verstond de kunst
om de diepere emotie waar die reactance vandaan kwam, bij de man even
aan te raken, waardoor deze daarvoor erkenning kreeg. Er was een prille
basis was gelegd voor een eerste constructief contact
In zijn basishouding laat een reclasseringswerker zien: dat
hij reactance als iets normaals beschouwd, als iets wat er bij hoort, als
gedrag dat ieder mens zelf ook vertoont vlak nadat diens
handelingsvrijheid op welke manier dan ook wordt ingeperkt. (Stel je eens
de reacties (reactance) voor die optreedt als je een bekeuring krijgt.) In
het gesprek is de werker duidelijk over zijn rol en over zijn
mogelijkheden. De werker probeert aan te sluiten bij de doelen van de
cliënt zonder de eigen reclasseringsdoelen uit het oog te verliezen. De
werker gaat uit van de werkzame aspecten in de relatie met de cliënt.
Als werkbegeleider kan ik de werker ondersteuning bieden door
de stroef verlopende cliëntcontacten, waarover werkers me consulteren,
vanuit het perspectief van ‘reactance’ te benaderen. Dit geeft ruimte en
nieuwe energie voor de werker om opnieuw te gaan investeren in het
cliëntcontact om uiteindelijk de reclasseringsdoelstelling onder bereik te
krijgen. Niemand, noch de cliënt, noch de reclassering, noch de
maatschappij (politiek) is er bij gebaat dat een door methodisch
onzorgvuldig handelen een contact vroegtijdig wordt afgebroken. Wel is het
eenvoudig om een reclasseringscontact te laten stuklopen. Ik krijg wel
eens de indruk dat onze organisatie zich dit te weinig realiseert. De
factsheets en protocollen van welke stappen er door reclasseringswerkers genomen dienen
te worden bijvoorbeeld bij een reclasseringstoezicht worden mijns inzien
te weinig ondersteund met methodische handreikingen in de dilemma’s
waarvoor een reclasseringswerker zich dagelijks voor gesteld ziet.
Wat voor reclasseringscliënten als reactance geldt, geldt in
zeker mate ook voor de reclasseringswerkers als reactance. Herkenbaar is
dit bij de met name ervaren reclasseringswerkers. Ze zien hoe de
Reclassering zich ontwikkelt en hoe ze als werkers te maken krijgen met
nieuwe regels en -grenzen en inperkingen van hun persoonlijke vrijheid. De
‘logaritmische’ factsheet schrijft voor wat er te doen staat, wat
afgesproken is. De situatie is voor de reclasseringswerker net zo min
vrijblijvend als voor de cliënt. Ook de werker staat dan onder druk. Hij
voelt dit. Menger en Krechtig (2004) p.242 hierover: …denk dan niet
‘dit hoor ik niet te voelen’. Sta er bij stil, ga na of er nog iets in die
condities is te beïnvloeden, onderzoek de gevolgen voor je motivatie en je
handelen en bepaal pas dan je koers. Het (h)erkennen en bespreken van je
eigen reactance is soms op zichzelf genoeg.
We lazen dat soms ook meer nodig is dan alleen bespreken!
5.3
Samenvatting
Het werk van
reclasseringswerker is zondermeer als moeilijk en vaak ingewikkeld te
noemen. Het vergt van reclasseringswerkers een zekere stevigheid, een hoge
frustratietolerantie, specifieke competenties. Overdracht- en
tegenoverdrachtverschijnselen zijn voortdurend aanwezig tijdens het werk.
De zwaarte van het werk gebiedt de Reclassering Nederland in hun
deskundigheidsbevorderingsbeleid (competentiemanagement) datgene te doen
wat deze zwaarte draaglijk maakt, namelijk de reclasseringswerkers te
leren nog professioneler het werk te kunnen uitvoeren. Supervisie is mijns
inziens een leermethode die prima past binnen de huidige zich sterk
veranderende reclasseringsorganisatie.
HOOFDSTUK 6
6.1 Conclusies en aanbevelingen
Door het maken
van dit werkstuk heb ik meer zicht gekregen hoe (tegen)overdacht te
hanteren is binnen supervisie en hoe alert een supervisor moet zijn op
deze verschijnselen. Ik herken nu dus steeds vaker wanneer
(tegen)overdracht bij mij, maar ook bij anderen in het spel is. Niet enkel
in supervisiesituaties maar ook in alledaagse communicatie tussen mensen
die een zekere relatie met elkaar zijn aangegaan. Ook in mijn dagelijkse
werk als werkbegeleider bij de reclassering.
Ik ga er nu vanuit dat, (tegen)overdracht altijd een belangrijke rol
speelt in werkprocessen, en onbehandeld en er niet over geleerd te hebben,
ze een storende factor zullen zijn in begeleidingscontacten en in
supervisie.
Dit betekent dat er binnen de opleiding tot supervisie
voldoende aandacht besteed moet worden en dat ook in organisaties of
beroepen of opleidingen tot beroepen, waar mensen met mensen werken
supervisie weer meer als een leermethode erkenning dient te krijgen én
geïmplementeerd dient te worden.
6.2 Slotwoord
Toen ik aan
het werkstuk begon had ik hoge verwachtingen. Ik was enthousiast begonnen.
Ik ontdekte langzamerhand, dat mijn ervaringen met overdracht en
tegenoverdracht weliswaar ‘hevig’ waren beleefd, maar niet zo talrijk in
supervisie waren verschenen en niet zo diep doorgewerkt waren als dat ik
in gedachte had. Ook raakte ik nog verward door de uitleg vanuit de
psychoanalyse. Welke supervisant dichtte mij bijzondere eigenschappen toe
die hij mogelijk gemist had in zijn eigen vroegere relaties? Had ik die
geprojecteerde emoties gemist.
Ondanks dat heb ik toch de weg voortgezet en dit resultaat neergezet. Het
heeft mij in ieder geval weer veel meer kennis opgeleverd. Wellicht ook de
toekomstige lezer. Mijn verwachting is dat ik in mijn volgende supervisies
(tegen)overdracht weer beter kan herkennen en hanteren dan voorheen. Ik
wil echter ook benadrukken, dat de overdrachtstheorie een ingewikkelde
theorie is. Verdere studie en ervaringen met de fenomenen is noodzakelijk.
Ik heb wel de overtuiging dat ik nu de beginselen van de theorie kan
toepassen in mijn werk als supervisor en werkbegeleider.
LITERATUURLIJST
 |
Adank, R. (2002). Overdracht en tegenoverdracht in supervisierelaties. Supervisie
in opleiding en beroep. Tijdschrift voor professioneel begeleiden,
19 (2002) 1, 2-11.
|
 |
Bennink, H. (1994), Reflectieve vragen in supervisie en andere
begeleidingsgesprekken Supervisie in opleiding en beroep. Tijdschrift
voor professioneel begeleiden, 11(1994) 1. 23-45.
|
 |
Boswijk-Hummel, R. 2005. Liefde in Wonderland, Overdracht en
tegenoverdracht in de hulprelatie. Haarlem, De Toorts, 2005.
|
 |
Delft, F. van 2006, Overdracht en Tegenoverdracht, Een Therapeutisch
fenomeen vertaald naar alledaagse psychosociale begeleiding. Soest,
Nelissen, 2006.
|
 |
Jagt, N en Rombout, R. en Leufkens, N. 2006 Supervisie: praktisch
gezien, kritisch bekeken. Houten, Bohn Stafleu van Loghum, 2006.
|
 |
Kessel, L. van: (1990) Supervisie als methode van indirect agogische
arbeid, gericht op begeleiden van leren in het kader van opleiden en
deskundigheidsbevordering tot agogische arbeid. Merkies, Q.L. (red)
Supervisie Samenspraak, Culemborg, Phaedon. (1990) 18-36.
|
 |
Kessel, L van:
(1999) Supervisie: een productomschrijving. Forum 5. 1999 3, 6-8.
|
 |
Kessel, L van: (1989) De leerweg in supervisie, een model voor het
geven van leerhulp. In :Rigter, W (Ed.) Supervisor worden supervisor
blijven (1989) 56-7.
|
 |
Körner, J. Overdracht in professionele begeleidingsrelaties.
Supervisie in opleiding en beroep, 19 (2002) 1. 2-11.
|
 |
Menger, A. en Krechtig, L. (2004). Het delict als maatstaf, methodiek
voor werken in gedwongen kader. Uitgave van de Stichting
Reclassering Nederland, IJsselstein PlatijnCasparie,(2004)
|
 |
Praag-Van Asperen, H.M. van & Ph.H. van Praag (2006) Handboek
Supervisie en Intervisie.
Utrecht, De Tijdsstroom, 2006.
|
 |
Reclassering Nederland, (2007), van intentie naar actie. Een uitgave
van de landelijke projectgroep competentiemanagement. Flevodruk
Harderwijk.
|
 |
Siegers, F. (2002) Handboek Supervisiekunde. Houten/Mechelen,
Bohn Stafleu Van Loghum. (2002)
|
 |
Wolbink, R. Gestalt in supervisie, (2005), Soest, Nelissen (2005)
|

Vroeghulp: Indien een
verdachte is gearresteerd en hiervoor in verzekerde bewaring is
gesteld (na 6 uur aanhouding), komt de reclassering in actie. Het
liefst brengt zij meteen na arrestatie een bezoek aan de verdachte,op
het politiebureau. Ook kan de eerste kennismaking plaats vinden bij de
rechter-commissaris. De reclassering maakt aan de hand van een eerste
diagnose (quick scan) afspraken met de verdachte over de verdere
begeleiding. Het vormt de basis voor advies of aanbevelingen aan het
Openbaar Ministerie of Rechtelijke Macht over het al dan niet
voortzetten van de voorlopige hechtenis, en over de te ondernemen
stappen om het gedrag van de dader te veranderen. Zo nodig met de hulp
van andere instanties. Het doel: terugval inperken.
|